Hoofdzin, inversie, vraagwoorden en bijzinnen.
Op de tweede plaats.
Hoe laat begint het?
Hij werkt vandaag niet.
Kunt u mij helpen?
Woont u hier?
Met ‘wie’.
Met ‘waar’.
Met ‘waarom’.
Morgen werk ik.
Aan het einde van de zin.
Met ‘omdat’, bijvoorbeeld: Ik blijf thuis omdat ik ziek ben.
Meestal aan het einde.