Tegenwoordige tijd, perfectum, imperfectum en modale werkwoorden.
Gebruik de stam, bijvoorbeeld: ik werk.
Bijvoorbeeld: Wilt u mij helpen?
Leren.
Aan het einde van de zin.
Gebruik stam + t, bijvoorbeeld: hij werkt.
Ik werkte.
Wij woonden.
Gemaakt.
Geleerd.
Hebben of zijn.
Ik ben gegaan.
Bijvoorbeeld: Ik ga morgen werken.