De belangrijkste Nederlandse werkwoorden in dagelijkse zinnen.
Wat betekent het werkwoord ‘zijn’?
Een toestand of identiteit hebben, bijvoorbeeld: ik ben moe.
Hoe vervoeg je ‘moeten’ bij ‘wij’?
Wij moeten.
Hoe maak je een ontkenning van ‘Ik werk’?
Ik werk niet.
Welke zin gebruik je om beleefd iets te vragen?
Kunt u mij helpen?
Hoe vervoeg je ‘zijn’ bij ‘wij’?
Wij zijn.
Hoe vervoeg je ‘hebben’ bij ‘hij’?
Hij heeft.
Hoe vervoeg je ‘gaan’ bij ‘ik’?
Ik ga.
Hoe vervoeg je ‘komen’ bij ‘zij’ in het enkelvoud?
Zij komt.
Hoe vervoeg je ‘wonen’ bij ‘u’?
U woont.
Hoe vervoeg je ‘werken’ bij ‘jullie’?
Jullie werken.
Hoe vervoeg je ‘willen’ bij ‘ik’?
Ik wil.
Hoe vervoeg je ‘kunnen’ bij ‘hij’?
Hij kan.