2F-basis binnen Verhoudingen: bepalen wat het deel, het geheel of het percentage is in praktische situaties met procenten.
25%. 15 is een kwart van 60.
90. Als 20% gelijk is aan 18, dan is 100% vijf keer zoveel.
21. 10% van 70 is 7, dus 30% is 3 x 7.
30%. 45 : 150 = 0,30 = 30%.
40%. 120 : 300 = 0,40.
30. 10% is 25 en 2% is 5; samen 30.
24. 1% is 6, dus 4% is 24.
40 euro. 14 : 0,35 = 40.
120. 75% is drie kwart; 90 : 3 x 4 = 120.
25%. 8 is een kwart van 32.
30%. De stijging is 15; 15 : 50 = 0,30.
8%. De daling is 8 van de oorspronkelijke 100.
3,5%. 7 : 200 = 0,035 = 3,5%.
50%. 11 is de helft van 22.
85%. 68 : 80 = 0,85.
72 euro. 10% is 24, dus 30% is 72.