Procenten 2F-3 Deel, geheel en percentage vinden
2F-basis binnen Verhoudingen: bepalen wat het deel, het geheel of het percentage is in praktische situaties met procenten.
2F: 15 van de 60 leerlingen zijn afwezig. Welk percentage is dat?
25%. 15 is een kwart van 60.
2F: 18 is 20% van welk getal?
- Als 20% gelijk is aan 18, dan is 100% vijf keer zoveel.
2F: Wat is 30% van 70?
- 10% van 70 is 7, dus 30% is 3 x 7.
2F: 45 van de 150 stemmen zijn voor. Welk percentage is voor?
30%. 45 : 150 = 0,30 = 30%.
2F: 120 van de 300 leerlingen komen met de fiets. Welk percentage is dat?
40%. 120 : 300 = 0,40.
2F: Wat is 12% van 250?
- 10% is 25 en 2% is 5; samen 30.
2F: Wat is 4% van 600?
- 1% is 6, dus 4% is 24.
2F: 35% van een bedrag is 14 euro. Wat is het hele bedrag?
40 euro. 14 : 0,35 = 40.
2F: 75% van een aantal is 90. Wat is 100%?
- 75% is drie kwart; 90 : 3 x 4 = 120.
2F: 8 van de 32 vragen zijn fout. Welk percentage is fout?
25%. 8 is een kwart van 32.
2F: Een prijs stijgt van 50 naar 65 euro. Met hoeveel procent is de prijs gestegen?
30%. De stijging is 15; 15 : 50 = 0,30.
2F: Een aantal daalt van 100 naar 92. Met hoeveel procent is het gedaald?
8%. De daling is 8 van de oorspronkelijke 100.
2F: 7 van de 200 producten zijn beschadigd. Welk percentage is beschadigd?
3,5%. 7 : 200 = 0,035 = 3,5%.
2F: In een groep van 22 leerlingen zijn 11 jongens. Welk percentage is jongen?
50%. 11 is de helft van 22.
2F: Van 80 vragen zijn er 68 goed. Welk percentage is goed?
85%. 68 : 80 = 0,85.
2F: Van 240 euro besteed je 30% aan boodschappen. Hoeveel euro is dat?
72 euro. 10% is 24, dus 30% is 72.