Je leert en onthoudt de belangrijkste woorden bij het onderwerp 'praten en samenwerken'.
[Begroeten]{.text-blue} is iemand bij aankomst vriendelijk erkennen of welkom heten. *** Bij binnenkomst ga ik mijn collega's [begroeten]{.text-blue}.
[Een vraag stellen]{.text-blue} is met woorden om informatie, uitleg of een reactie vragen. *** Als iets onduidelijk is, ga ik [een vraag stellen]{.text-blue}.
[Antwoorden]{.text-blue} is reageren op een vraag of opmerking. *** Ik steek mijn hand op om de vraag te [antwoorden]{.text-blue}.
[Vertellen]{.text-blue} is informatie, ervaringen of een verhaal mondeling delen. *** Tijdens de lunch ga ik over mijn vakantie [vertellen]{.text-blue}.
[Uitleggen]{.text-blue} is iets zo beschrijven dat een ander het kan begrijpen. *** Ik ga stap voor stap [uitleggen]{.text-blue} hoe het apparaat werkt.
[Actief luisteren]{.text-blue} is aandachtig luisteren en laten merken dat je de ander probeert te begrijpen. *** Tijdens het gesprek ga ik [actief luisteren]{.text-blue} en niet onderbreken.
[Overleggen]{.text-blue} is samen informatie en meningen bespreken voordat je iets beslist. *** Voor we beginnen, gaan we kort [overleggen]{.text-blue}.
[Je mening geven]{.text-blue} is vertellen wat je ergens van vindt. *** In de bespreking mag iedereen [zijn mening geven]{.text-blue}.
[Argumenteren]{.text-blue} is redenen geven om een standpunt te ondersteunen of te bestrijden. *** In het debat moet ik duidelijk [argumenteren]{.text-blue}.
[Instemmen]{.text-blue} is laten weten dat je het met een voorstel of mening eens bent. *** Alle teamleden [stemmen in]{.text-blue} met het plan.
[Tegenspreken]{.text-blue} is zeggen dat iets volgens jou niet klopt of dat je het er niet mee eens bent. *** Met goede redenen mag je een bewering [tegenspreken]{.text-blue}.
[Doorvragen]{.text-blue} is extra vragen stellen om iets beter te begrijpen. *** De interviewer gaat [doorvragen]{.text-blue} over het antwoord.
[De beurt nemen]{.text-blue} is op een geschikt moment beginnen te spreken of handelen. *** Na mijn collega ga ik [de beurt nemen]{.text-blue}.
[Afspraken maken]{.text-blue} is samen duidelijk vastleggen wie wat doet of wanneer iets gebeurt. *** Aan het einde gaan we concrete [afspraken maken]{.text-blue}.
[Taken verdelen]{.text-blue} is bepalen welk deel van het werk iedere persoon uitvoert. *** Voor het project gaan we de [taken verdelen]{.text-blue}.
[Helpen]{.text-blue} is iets doen waardoor een ander een taak kan uitvoeren of een probleem kan oplossen. *** Ik ga mijn collega met de zware dozen [helpen]{.text-blue}.
[Feedback geven]{.text-blue} is benoemen wat goed gaat en wat iemand kan verbeteren. *** Na de presentatie gaan we elkaar [feedback geven]{.text-blue}.
[Een compromis sluiten]{.text-blue} is een oplossing afspreken waarbij verschillende partijen iets toegeven. *** Na lang overleg gaan beide groepen [een compromis sluiten]{.text-blue}.
[Samenwerken]{.text-blue} is met anderen aan hetzelfde doel of resultaat werken. *** Voor deze opdracht moeten drie afdelingen [samenwerken]{.text-blue}.
[Besluiten]{.text-blue} is na nadenken of overleg een keuze definitief maken. *** Na de bespreking [besluiten]{.text-blue} we welk ontwerp wordt uitgevoerd.
Begroeten is iemand bij aankomst vriendelijk erkennen of welkom heten.
Bij binnenkomst ga ik mijn collega's begroeten.
Een vraag stellen is met woorden om informatie, uitleg of een reactie vragen.
Als iets onduidelijk is, ga ik een vraag stellen.
Antwoorden is reageren op een vraag of opmerking.
Ik steek mijn hand op om de vraag te antwoorden.
Vertellen is informatie, ervaringen of een verhaal mondeling delen.
Tijdens de lunch ga ik over mijn vakantie vertellen.
Uitleggen is iets zo beschrijven dat een ander het kan begrijpen.
Ik ga stap voor stap uitleggen hoe het apparaat werkt.
Actief luisteren is aandachtig luisteren en laten merken dat je de ander probeert te begrijpen.
Tijdens het gesprek ga ik actief luisteren en niet onderbreken.
Overleggen is samen informatie en meningen bespreken voordat je iets beslist.
Voor we beginnen, gaan we kort overleggen.
Je mening geven is vertellen wat je ergens van vindt.
In de bespreking mag iedereen zijn mening geven.
Argumenteren is redenen geven om een standpunt te ondersteunen of te bestrijden.
In het debat moet ik duidelijk argumenteren.
Instemmen is laten weten dat je het met een voorstel of mening eens bent.
Alle teamleden stemmen in met het plan.
Tegenspreken is zeggen dat iets volgens jou niet klopt of dat je het er niet mee eens bent.
Met goede redenen mag je een bewering tegenspreken.
Doorvragen is extra vragen stellen om iets beter te begrijpen.
De interviewer gaat doorvragen over het antwoord.
De beurt nemen is op een geschikt moment beginnen te spreken of handelen.
Na mijn collega ga ik de beurt nemen.
Afspraken maken is samen duidelijk vastleggen wie wat doet of wanneer iets gebeurt.
Aan het einde gaan we concrete afspraken maken.
Taken verdelen is bepalen welk deel van het werk iedere persoon uitvoert.
Voor het project gaan we de taken verdelen.
Helpen is iets doen waardoor een ander een taak kan uitvoeren of een probleem kan oplossen.
Ik ga mijn collega met de zware dozen helpen.
Feedback geven is benoemen wat goed gaat en wat iemand kan verbeteren.
Na de presentatie gaan we elkaar feedback geven.
Een compromis sluiten is een oplossing afspreken waarbij verschillende partijen iets toegeven.
Na lang overleg gaan beide groepen een compromis sluiten.
Samenwerken is met anderen aan hetzelfde doel of resultaat werken.
Voor deze opdracht moeten drie afdelingen samenwerken.
Besluiten is na nadenken of overleg een keuze definitief maken.
Na de bespreking besluiten we welk ontwerp wordt uitgevoerd.