Leer en onthoud met 15 compacte kaarten de basis van ongelijkheid en armoede: inkomen, vermogen, kansen, sociale zekerheid, minimumloon en meritocratie.
Verschillen in inkomen tussen mensen of groepen. Het gaat om loon, uitkeringen en andere inkomsten.
Verschillen in bezit, zoals huizen, spaargeld en aandelen. Vermogen groeit vaak over generaties.
Te weinig middelen om volwaardig mee te doen. Armoede gaat over geld Γ©n kansen.
Niet iedereen begint met dezelfde mogelijkheden. Gezin, buurt, gezondheid en onderwijs tellen mee.
Het laagste wettelijke loon voor werk. Het beschermt werknemers, maar is economisch omstreden.
Regelingen die inkomen beschermen bij risicoβs. Denk aan werkloosheid, ziekte, ouderdom en bijstand.
Het idee dat talent en inzet succes bepalen. Kritiek: startpositie verschilt sterk.
Onderwijs vergroot vaardigheden en netwerk. Maar ongelijke starts werken door in schoolloopbanen.
De overheid verplaatst middelen via belastingen en uitgaven. Doel is vaak minder ongelijkheid of meer zekerheid.
Wonen bepaalt vermogen, kosten en kansen. Huizenbezit kan ongelijkheid versterken.
Nieuwe rijkdom en nieuwe armoede ontstonden tegelijk. Arbeidsrechten en sociale politiek kwamen als reactie.
Armoede vroeg in het leven werkt lang door. Gezondheid, school en kansen worden geraakt.
Zekerheid over inkomen, wonen, zorg en basisbehoeften. Zonder bestaanszekerheid wordt meedoen moeilijk.
Mensen verschillen over wat eerlijk is. Vrijheid, beloning en solidariteit botsen snel.
Armoede kost talent, gezondheid en vertrouwen. Het is niet alleen een individueel probleem.