Je oefent kommagetallen en informatie uit tabellen en grafieken.
0,5 + 0,25 = ...
0,75
1,2 + 0,3 = ...
1,5
2,5 - 0,75 = ...
1,75
0,4 x 10 = ...
4
3,6 : 10 = ...
0,36
0,8 + 0,7 = ...
5,0 - 2,5 = ...
2,5
1,25 + 0,75 = ...
2
4,2 - 1,8 = ...
2,4
0,6 = .../10
6
Kijk naar de grafiek. Hoeveel kinderen zijn er samen?
10
Kijk naar de tabel. Hoeveel meer zijn er op maandag dan op dinsdag?
Elk blok is 5. Hoeveel punten zijn er samen in de drie blokken?
15
Kijk naar de tabel. Hoeveel kinderen zitten samen in bus A en bus B?
42
Kijk naar de grafiek. Hoeveel procent van de stemmen is groen?
25
Kijk naar de tabel. Hoeveel appels zitten er samen in 4 dozen?
24
Kijk naar de lijngrafiek. Hoeveel is het aantal gestegen?
Kijk naar de tabel. Hoeveel leerlingen zijn er samen in 3 groepen?
Kijk naar de grafiek. Hoeveel procent koos lezen?
Gemiddelde: (6 + 8 + 10) : 3 = ...
8