Je leert en onthoudt de betekenis van de belangrijkste woorden voor nieuwkomers in Nederland. De woorden kunnen samen of alleen geoefend worden, in georganiseerd onderwijs of daarbuiten.
De organisatie die zaken in jouw stad of dorp regelt.
Les waarin je Nederlands leert spreken, lezen en schrijven.
Inlogmiddel om online dingen met de overheid te regelen.
Overheidsdienst die over belasting en toeslagen gaat.
Telefoonnummer voor hulp van politie, brandweer of ambulance.
Dienst die zorgt voor veiligheid en regels controleert.
Kaart waarmee je betaalt in het openbaar vervoer.
Reizen met bus, trein, tram of metro.
Plek waar jonge kinderen worden opgevangen als ouders werken of leren.
Plek waar kinderen (en soms volwassenen) leren.
De baan of taak waarvoor je betaald krijgt.
Een officieel papier met afspraken die je moet volgen.
Geld dat je elke maand betaalt voor je woning.
Geld dat je krijgt voor je werk.
Een rekening bij de bank waar je geld op staat.
Je eigen dokter in de buurt voor gewone medische problemen.
Verzekering die helpt om dokters- en ziekenhuiskosten te betalen.
Papier of digitaal document dat je moet invullen.
Officieel papier dat zegt dat je in Nederland mag wonen.
Een gepland moment om iemand te zien of iets te regelen.
Een officieel document om mee te reizen en je identiteit te bewijzen.