Je leert en onthoudt de belangrijkste woorden bij het onderwerp 'naar het ziekenhuis'.
Een [ziekenhuis]{.text-blue} is een plek waar mensen worden onderzocht, behandeld en verzorgd. *** Na het ongeluk wordt de fietser naar het [ziekenhuis]{.text-blue} gebracht.
Een [afdeling]{.text-blue} is een deel van een ziekenhuis dat bestemd is voor een bepaald soort zorg. *** Mijn oma ligt op de [afdeling]{.text-blue} cardiologie.
Een [verpleegkundige]{.text-blue} is iemand die patiënten verzorgt en medische handelingen uitvoert. *** De [verpleegkundige]{.text-blue} controleert hoe het met mij gaat.
De [spoedeisende hulp]{.text-blue} is de ziekenhuisafdeling waar mensen met dringende klachten of verwondingen worden geholpen. *** Met een gebroken arm gaan we naar de [spoedeisende hulp]{.text-blue}.
Een [ambulance]{.text-blue} is een speciaal voertuig dat zieke of gewonde mensen naar medische hulp vervoert. *** De [ambulance]{.text-blue} rijdt met zwaailichten naar het ziekenhuis.
Een [opname]{.text-blue} betekent dat iemand in het ziekenhuis blijft voor onderzoek, behandeling of verzorging. *** Voor de operatie is een korte [opname]{.text-blue} nodig.
Een [polikliniek]{.text-blue} is een afdeling waar je een afspraak hebt zonder in het ziekenhuis te blijven slapen. *** Morgen heb ik een controle op de [polikliniek]{.text-blue}.
Een [operatie]{.text-blue} is een medische behandeling waarbij een arts in of aan het lichaam werkt. *** Na de [operatie]{.text-blue} moet de patiënt enkele dagen rusten.
Een [chirurg]{.text-blue} is een arts die gespecialiseerd is in het uitvoeren van operaties. *** De [chirurg]{.text-blue} legt uit hoe de operatie zal verlopen.
Een [verdoving]{.text-blue} is een middel waardoor je tijdens een behandeling geen of minder pijn voelt. *** Voor de operatie krijgt de patiënt een [verdoving]{.text-blue}.
Een [röntgenfoto]{.text-blue} is een afbeelding waarmee artsen onder andere botten in het lichaam kunnen bekijken. *** Op de [röntgenfoto]{.text-blue} is te zien dat mijn pols gebroken is.
Een [bloedonderzoek]{.text-blue} is een onderzoek waarbij bloed in een laboratorium wordt bekeken. *** Voor het [bloedonderzoek]{.text-blue} wordt een buisje bloed afgenomen.
Een [infuus]{.text-blue} is een dun slangetje waardoor vocht of medicijnen rechtstreeks in een bloedvat komen. *** Via het [infuus]{.text-blue} krijgt de patiënt extra vocht.
Een [ziekenhuisbed]{.text-blue} is een verstelbaar bed dat speciaal is gemaakt voor patiënten. *** De verpleegkundige zet het [ziekenhuisbed]{.text-blue} iets rechterop.
Een [patiëntenkamer]{.text-blue} is een kamer waar één of meer patiënten tijdens hun opname verblijven. *** Er staan twee bedden in de [patiëntenkamer]{.text-blue}.
Het [bezoekuur]{.text-blue} is de tijd waarin familie en vrienden een patiënt mogen bezoeken. *** Tijdens het [bezoekuur]{.text-blue} komt mijn zus langs.
[Ontslag]{.text-blue} uit het ziekenhuis betekent dat je naar huis mag omdat verblijf niet langer nodig is. *** Na het gesprek met de arts krijg ik [ontslag]{.text-blue} uit het ziekenhuis.
[Herstel]{.text-blue} is het proces waarbij iemand na een ziekte of behandeling weer beter en sterker wordt. *** Rust en beweging zijn belangrijk voor mijn [herstel]{.text-blue}.
Een [rolstoel]{.text-blue} is een stoel met wielen voor iemand die niet of moeilijk kan lopen. *** De patiënt gaat in een [rolstoel]{.text-blue} naar de onderzoeksruimte.
Een [brancard]{.text-blue} is een verrijdbaar ligbed waarmee zieke of gewonde mensen worden vervoerd. *** De ambulancemedewerkers rijden de patiënt op een [brancard]{.text-blue} naar binnen.
Een ziekenhuis is een plek waar mensen worden onderzocht, behandeld en verzorgd.
Na het ongeluk wordt de fietser naar het ziekenhuis gebracht.
Een afdeling is een deel van een ziekenhuis dat bestemd is voor een bepaald soort zorg.
Mijn oma ligt op de afdeling cardiologie.
Een verpleegkundige is iemand die patiënten verzorgt en medische handelingen uitvoert.
De verpleegkundige controleert hoe het met mij gaat.
De spoedeisende hulp is de ziekenhuisafdeling waar mensen met dringende klachten of verwondingen worden geholpen.
Met een gebroken arm gaan we naar de spoedeisende hulp.
Een ambulance is een speciaal voertuig dat zieke of gewonde mensen naar medische hulp vervoert.
De ambulance rijdt met zwaailichten naar het ziekenhuis.
Een opname betekent dat iemand in het ziekenhuis blijft voor onderzoek, behandeling of verzorging.
Voor de operatie is een korte opname nodig.
Een polikliniek is een afdeling waar je een afspraak hebt zonder in het ziekenhuis te blijven slapen.
Morgen heb ik een controle op de polikliniek.
Een operatie is een medische behandeling waarbij een arts in of aan het lichaam werkt.
Na de operatie moet de patiënt enkele dagen rusten.
Een chirurg is een arts die gespecialiseerd is in het uitvoeren van operaties.
De chirurg legt uit hoe de operatie zal verlopen.
Een verdoving is een middel waardoor je tijdens een behandeling geen of minder pijn voelt.
Voor de operatie krijgt de patiënt een verdoving.
Een röntgenfoto is een afbeelding waarmee artsen onder andere botten in het lichaam kunnen bekijken.
Op de röntgenfoto is te zien dat mijn pols gebroken is.
Een bloedonderzoek is een onderzoek waarbij bloed in een laboratorium wordt bekeken.
Voor het bloedonderzoek wordt een buisje bloed afgenomen.
Een infuus is een dun slangetje waardoor vocht of medicijnen rechtstreeks in een bloedvat komen.
Via het infuus krijgt de patiënt extra vocht.
Een ziekenhuisbed is een verstelbaar bed dat speciaal is gemaakt voor patiënten.
De verpleegkundige zet het ziekenhuisbed iets rechterop.
Een patiëntenkamer is een kamer waar één of meer patiënten tijdens hun opname verblijven.
Er staan twee bedden in de patiëntenkamer.
Het bezoekuur is de tijd waarin familie en vrienden een patiënt mogen bezoeken.
Tijdens het bezoekuur komt mijn zus langs.
Ontslag uit het ziekenhuis betekent dat je naar huis mag omdat verblijf niet langer nodig is.
Na het gesprek met de arts krijg ik ontslag uit het ziekenhuis.
Herstel is het proces waarbij iemand na een ziekte of behandeling weer beter en sterker wordt.
Rust en beweging zijn belangrijk voor mijn herstel.
Een rolstoel is een stoel met wielen voor iemand die niet of moeilijk kan lopen.
De patiënt gaat in een rolstoel naar de onderzoeksruimte.
Een brancard is een verrijdbaar ligbed waarmee zieke of gewonde mensen worden vervoerd.
De ambulancemedewerkers rijden de patiënt op een brancard naar binnen.