Je leert en onthoudt de belangrijkste woorden bij het onderwerp 'naar het winkelcentrum'.
Een [winkelcentrum]{.text-blue} is een gebouw of gebied waar veel verschillende winkels bij elkaar liggen. *** In het [winkelcentrum]{.text-blue} kopen we kleding en een cadeau.
Een [etalage]{.text-blue} is een raam waarin een winkel producten laat zien om klanten te trekken. *** In de [etalage]{.text-blue} staat de nieuwe zomercollectie.
Een [winkelier]{.text-blue} is iemand die een winkel bezit of leidt. *** De [winkelier]{.text-blue} begroet iedere klant bij binnenkomst.
Een [klant]{.text-blue} is iemand die iets bij een winkel of bedrijf koopt. *** De medewerker helpt een [klant]{.text-blue} bij het zoeken naar een jas.
Een [paskamer]{.text-blue} is een kleine ruimte in een winkel waar je kleding kunt aantrekken om te zien of die past. *** Ik neem drie broeken mee naar de [paskamer]{.text-blue}.
Een [maat]{.text-blue} geeft aan hoe groot of klein een kledingstuk of schoen is. *** Deze trui is nog verkrijgbaar in mijn [maat]{.text-blue}.
Een [kledingrek]{.text-blue} is een rek waaraan kledingstukken op hangers hangen. *** De spijkerjassen hangen aan het [kledingrek]{.text-blue}.
Een [prijskaartje]{.text-blue} is een kaartje waarop staat hoeveel een product kost. *** Op het [prijskaartje]{.text-blue} staat dat de tas veertig euro kost.
Een [roltrap]{.text-blue} is een bewegende trap die mensen tussen verdiepingen vervoert. *** Met de [roltrap]{.text-blue} gaan we naar de eerste verdieping.
Een [lift]{.text-blue} is een cabine die mensen en goederen omhoog en omlaag vervoert. *** Met de kinderwagen nemen we de [lift]{.text-blue}.
Een [plattegrond]{.text-blue} is een tekening waarop je van bovenaf ziet waar ruimtes en winkels liggen. *** Op de [plattegrond]{.text-blue} zoeken we waar de boekhandel is.
Een [informatiebalie]{.text-blue} is een plek waar bezoekers vragen kunnen stellen en hulp krijgen. *** Bij de [informatiebalie]{.text-blue} vragen we waar de toiletten zijn.
De [openingstijd]{.text-blue} is het tijdstip waarop een winkel opengaat. *** De [openingstijd]{.text-blue} van het winkelcentrum is negen uur.
De [sluitingstijd]{.text-blue} is het tijdstip waarop een winkel dichtgaat. *** Op vrijdag is de [sluitingstijd]{.text-blue} later dan normaal.
Een [uitverkoop]{.text-blue} is een periode waarin veel producten tegen lagere prijzen worden verkocht. *** Tijdens de [uitverkoop]{.text-blue} koop ik schoenen met flinke korting.
[Passen]{.text-blue} is kleding of schoenen aantrekken om te controleren of de maat goed is. *** Voor ik de jas koop, wil ik hem eerst [passen]{.text-blue}.
[Ruilen]{.text-blue} is een gekocht product terugbrengen en er een ander product voor krijgen. *** De trui is te klein, dus ik ga hem [ruilen]{.text-blue} voor een grotere maat.
[Retourneren]{.text-blue} is een gekocht product terugbrengen of terugsturen naar de verkoper. *** Omdat de lamp beschadigd is, ga ik hem [retourneren]{.text-blue}.
[Garantie]{.text-blue} is de toezegging dat een verkoper of fabrikant binnen een bepaalde periode voor een ondeugdelijk product een oplossing biedt. *** Op dit apparaat zit twee jaar [garantie]{.text-blue}.
Een [warenhuis]{.text-blue} is een grote winkel met verschillende afdelingen en veel soorten producten. *** In het [warenhuis]{.text-blue} vinden we kleding, speelgoed en huishoudelijke spullen.
Een winkelcentrum is een gebouw of gebied waar veel verschillende winkels bij elkaar liggen.
In het winkelcentrum kopen we kleding en een cadeau.
Een etalage is een raam waarin een winkel producten laat zien om klanten te trekken.
In de etalage staat de nieuwe zomercollectie.
Een winkelier is iemand die een winkel bezit of leidt.
De winkelier begroet iedere klant bij binnenkomst.
Een klant is iemand die iets bij een winkel of bedrijf koopt.
De medewerker helpt een klant bij het zoeken naar een jas.
Een paskamer is een kleine ruimte in een winkel waar je kleding kunt aantrekken om te zien of die past.
Ik neem drie broeken mee naar de paskamer.
Een maat geeft aan hoe groot of klein een kledingstuk of schoen is.
Deze trui is nog verkrijgbaar in mijn maat.
Een kledingrek is een rek waaraan kledingstukken op hangers hangen.
De spijkerjassen hangen aan het kledingrek.
Een prijskaartje is een kaartje waarop staat hoeveel een product kost.
Op het prijskaartje staat dat de tas veertig euro kost.
Een roltrap is een bewegende trap die mensen tussen verdiepingen vervoert.
Met de roltrap gaan we naar de eerste verdieping.
Een lift is een cabine die mensen en goederen omhoog en omlaag vervoert.
Met de kinderwagen nemen we de lift.
Een plattegrond is een tekening waarop je van bovenaf ziet waar ruimtes en winkels liggen.
Op de plattegrond zoeken we waar de boekhandel is.
Een informatiebalie is een plek waar bezoekers vragen kunnen stellen en hulp krijgen.
Bij de informatiebalie vragen we waar de toiletten zijn.
De openingstijd is het tijdstip waarop een winkel opengaat.
De openingstijd van het winkelcentrum is negen uur.
De sluitingstijd is het tijdstip waarop een winkel dichtgaat.
Op vrijdag is de sluitingstijd later dan normaal.
Een uitverkoop is een periode waarin veel producten tegen lagere prijzen worden verkocht.
Tijdens de uitverkoop koop ik schoenen met flinke korting.
Passen is kleding of schoenen aantrekken om te controleren of de maat goed is.
Voor ik de jas koop, wil ik hem eerst passen.
Ruilen is een gekocht product terugbrengen en er een ander product voor krijgen.
De trui is te klein, dus ik ga hem ruilen voor een grotere maat.
Retourneren is een gekocht product terugbrengen of terugsturen naar de verkoper.
Omdat de lamp beschadigd is, ga ik hem retourneren.
Garantie is de toezegging dat een verkoper of fabrikant binnen een bepaalde periode voor een ondeugdelijk product een oplossing biedt.
Op dit apparaat zit twee jaar garantie.
Een warenhuis is een grote winkel met verschillende afdelingen en veel soorten producten.
In het warenhuis vinden we kleding, speelgoed en huishoudelijke spullen.