Je leert en onthoudt de belangrijkste woorden bij het onderwerp 'naar de huisarts'.
Een [huisarts]{.text-blue} is een dokter bij wie je meestal als eerste komt met vragen of klachten over je gezondheid. *** Ik ga naar de [huisarts]{.text-blue} omdat ik al dagen erg hoest.
Een [huisartsenpraktijk]{.text-blue} is de plek waar huisartsen en hun medewerkers patiënten ontvangen. *** De [huisartsenpraktijk]{.text-blue} bij ons in de buurt opent om acht uur.
Een [afspraak]{.text-blue} is een afgesproken moment waarop je ergens wordt verwacht. *** Ik heb morgen om tien uur een [afspraak]{.text-blue} bij de huisarts.
Een [doktersassistent]{.text-blue} is een medewerker die de huisarts helpt en onder andere afspraken maakt. *** De [doktersassistent]{.text-blue} vraagt waarvoor ik bel.
Een [spreekuur]{.text-blue} is een periode waarin een arts patiënten ontvangt en onderzoekt. *** Tijdens het [spreekuur]{.text-blue} bespreek ik mijn klachten met de huisarts.
Een [wachtkamer]{.text-blue} is een ruimte waar je wacht totdat je aan de beurt bent. *** In de [wachtkamer]{.text-blue} lees ik een tijdschrift.
Een [patiënt]{.text-blue} is iemand die medische zorg of advies krijgt. *** De huisarts roept de volgende [patiënt]{.text-blue} naar binnen.
Een [klacht]{.text-blue} is iets aan je lichaam of gezondheid waar je last van hebt. *** Hoofdpijn is de belangrijkste [klacht]{.text-blue} die ik aan de huisarts vertel.
Een [symptoom]{.text-blue} is een merkbaar teken dat bij een ziekte of aandoening kan horen. *** Koorts kan een [symptoom]{.text-blue} van een infectie zijn.
[Koorts]{.text-blue} betekent dat je lichaamstemperatuur hoger is dan normaal. *** Omdat ik [koorts]{.text-blue} heb, blijf ik vandaag thuis.
[Temperatuur opnemen]{.text-blue} is meten hoe warm iemands lichaam is. *** De huisarts gaat mijn [temperatuur opnemen]{.text-blue} met een thermometer.
Een [onderzoek]{.text-blue} is het zorgvuldig bekijken, meten of testen om meer te weten te komen. *** De huisarts doet een [onderzoek]{.text-blue} om de oorzaak van mijn buikpijn te vinden.
Een [stethoscoop]{.text-blue} is een instrument waarmee een arts naar geluiden in het lichaam luistert. *** Met de [stethoscoop]{.text-blue} luistert de huisarts naar mijn longen.
De [bloeddruk]{.text-blue} geeft aan met welke druk het bloed door de bloedvaten stroomt. *** De huisarts meet mijn [bloeddruk]{.text-blue} met een band om mijn arm.
Een [diagnose]{.text-blue} is de naam of vaststelling van een ziekte of aandoening na onderzoek. *** Na het onderzoek stelt de arts een [diagnose]{.text-blue}.
Een [behandeling]{.text-blue} is wat er wordt gedaan om een klacht of ziekte te verminderen of te genezen. *** De huisarts bespreekt welke [behandeling]{.text-blue} het beste bij mij past.
Een [recept]{.text-blue} is een voorschrift van een arts waarmee je een medicijn bij de apotheek kunt krijgen. *** De huisarts stuurt het [recept]{.text-blue} naar mijn apotheek.
Een [medicijn]{.text-blue} is een middel dat wordt gebruikt om een ziekte of klacht te behandelen. *** Ik gebruik het [medicijn]{.text-blue} precies zoals de huisarts heeft uitgelegd.
Een [doorverwijzing]{.text-blue} betekent dat een zorgverlener je voor verdere hulp naar een andere zorgverlener stuurt. *** Ik krijg een [doorverwijzing]{.text-blue} naar het ziekenhuis voor extra onderzoek.
Een [specialist]{.text-blue} is een arts die veel kennis heeft van een bepaald deel van de geneeskunde. *** De huisarts stuurt mij voor mijn huidklacht naar een [specialist]{.text-blue}.
Een huisarts is een dokter bij wie je meestal als eerste komt met vragen of klachten over je gezondheid.
Ik ga naar de huisarts omdat ik al dagen erg hoest.
Een huisartsenpraktijk is de plek waar huisartsen en hun medewerkers patiënten ontvangen.
De huisartsenpraktijk bij ons in de buurt opent om acht uur.
Een afspraak is een afgesproken moment waarop je ergens wordt verwacht.
Ik heb morgen om tien uur een afspraak bij de huisarts.
Een doktersassistent is een medewerker die de huisarts helpt en onder andere afspraken maakt.
De doktersassistent vraagt waarvoor ik bel.
Een spreekuur is een periode waarin een arts patiënten ontvangt en onderzoekt.
Tijdens het spreekuur bespreek ik mijn klachten met de huisarts.
Een wachtkamer is een ruimte waar je wacht totdat je aan de beurt bent.
In de wachtkamer lees ik een tijdschrift.
Een patiënt is iemand die medische zorg of advies krijgt.
De huisarts roept de volgende patiënt naar binnen.
Een klacht is iets aan je lichaam of gezondheid waar je last van hebt.
Hoofdpijn is de belangrijkste klacht die ik aan de huisarts vertel.
Een symptoom is een merkbaar teken dat bij een ziekte of aandoening kan horen.
Koorts kan een symptoom van een infectie zijn.
Koorts betekent dat je lichaamstemperatuur hoger is dan normaal.
Omdat ik koorts heb, blijf ik vandaag thuis.
Temperatuur opnemen is meten hoe warm iemands lichaam is.
De huisarts gaat mijn temperatuur opnemen met een thermometer.
Een onderzoek is het zorgvuldig bekijken, meten of testen om meer te weten te komen.
De huisarts doet een onderzoek om de oorzaak van mijn buikpijn te vinden.
Een stethoscoop is een instrument waarmee een arts naar geluiden in het lichaam luistert.
Met de stethoscoop luistert de huisarts naar mijn longen.
De bloeddruk geeft aan met welke druk het bloed door de bloedvaten stroomt.
De huisarts meet mijn bloeddruk met een band om mijn arm.
Een diagnose is de naam of vaststelling van een ziekte of aandoening na onderzoek.
Na het onderzoek stelt de arts een diagnose.
Een behandeling is wat er wordt gedaan om een klacht of ziekte te verminderen of te genezen.
De huisarts bespreekt welke behandeling het beste bij mij past.
Een recept is een voorschrift van een arts waarmee je een medicijn bij de apotheek kunt krijgen.
De huisarts stuurt het recept naar mijn apotheek.
Een medicijn is een middel dat wordt gebruikt om een ziekte of klacht te behandelen.
Ik gebruik het medicijn precies zoals de huisarts heeft uitgelegd.
Een doorverwijzing betekent dat een zorgverlener je voor verdere hulp naar een andere zorgverlener stuurt.
Ik krijg een doorverwijzing naar het ziekenhuis voor extra onderzoek.
Een specialist is een arts die veel kennis heeft van een bepaald deel van de geneeskunde.
De huisarts stuurt mij voor mijn huidklacht naar een specialist.