Oefen in 15 compacte kaarten kernbegrippen rond milieu en natuur: biodiversiteit, stikstof, ecosystemen, bodem, vervuiling en herstel.
De verscheidenheid aan leven, genen en ecosystemen. Meer variatie maakt natuur vaak veerkrachtiger.
Een netwerk van levende organismen en hun omgeving. Alles beΓ―nvloedt elkaar: bodem, water, lucht en leven.
Het verdwijnen van soorten uit een gebied of wereldwijd. Daardoor worden ecosystemen kwetsbaarder.
Te veel reactieve stikstof in natuur en bodem. Sommige planten winnen, andere verdwijnen.
Gezonde bodem houdt water vast en voedt planten. Slechte bodem raakt voedsel, natuur en klimaat.
Het verdwijnen van bos door kap, landbouw of bebouwing. Het raakt klimaat, biodiversiteit en waterkringlopen.
Schadelijke stoffen of afval in lucht, water of bodem. Vervuiling kan gezondheid en natuur aantasten.
Landbouw die kringlopen van mest, bodem en voedsel beter sluit. Minder verspilling en minder druk op natuur.
Voordelen die natuur levert, zoals schoon water, bestuiving en verkoeling. Ze hebben vaak grote maatschappelijke waarde.
Natuur heeft verbindingen en ruimte nodig. Vervuiling en klimaat stoppen niet bij grenzen.
Milieuschade werd een publiek en politiek probleem. Wetenschap, protest en beleid gingen elkaar versterken.
Plastic afval dat in natuur en water terechtkomt. Het breekt langzaam af en verspreidt microplastics.
Schoon water is nodig voor gezondheid, voedsel en natuur. Vervuiling werkt lang door.
Het verbeteren of terugbrengen van beschadigde natuur. Denk aan schoner water, meer ruimte en minder druk.
Natuur ondersteunt voedsel, water, gezondheid en klimaat. Biodiversiteit is basisinfrastructuur van leven.