Leer en onthoud met 15 compacte kaarten kernbegrippen en voorbeelden rond migratie en integratie.
Verhuizen van de ene plek naar de andere. Oorzaken kunnen werk, veiligheid, studie of familie zijn.
Een land binnenkomen om er te wonen. Voor het ontvangende land heet dat immigratie.
Een land verlaten om elders te wonen. Voor het vertrekland heet dat emigratie.
Iemand die vlucht voor vervolging, oorlog of geweld. Internationale afspraken bieden bescherming.
Bescherming vragen in een ander land. De overheid beoordeelt of iemand recht heeft op verblijf.
Meedoen in een samenleving met behoud van eigen achtergrond. Het vraagt inzet van nieuwkomers en samenleving.
Aanpassen aan de dominante cultuur. Eigen taal of gewoonten raken dan vaak op de achtergrond.
Groepen leven gescheiden naast elkaar. Dat kan kansen, contact en vertrouwen beperken.
Rechten, plichten en deelname aan de samenleving. Het gaat om meer dan een paspoort.
Je voelt je verbonden met meerdere groepen of landen. Dat kan verrijken en soms spanning geven.
Arbeidsmigranten vullen werk en tekorten aan. Tegelijk vraagt het eerlijke regels en huisvesting.
Tijdelijke arbeid werd vaak blijvende migratie. Beleid moet rekening houden met echte levens.
Grenzen raken veiligheid, economie en mensenrechten. Keuzes hebben gevolgen voor echte mensen.
Taal opent onderwijs, werk en contact. Zonder taal groeit afstand sneller.
Migratie vormt steden, cultuur en politiek. Wie meepraat, moet feiten en waarden onderscheiden.