Je leert en onthoudt de belangrijkste woorden bij het onderwerp 'leren en oefenen'.
[Lezen]{.text-blue} is geschreven tekens en woorden bekijken en hun betekenis begrijpen. *** Iedere avond ga ik twintig minuten [lezen]{.text-blue}.
[Schrijven]{.text-blue} is letters en woorden maken om informatie of gedachten vast te leggen. *** Voor taal moet ik een kort verhaal [schrijven]{.text-blue}.
[Luisteren]{.text-blue} is aandacht geven aan geluiden of gesproken informatie. *** Tijdens de uitleg ga ik goed [luisteren]{.text-blue}.
[Observeren]{.text-blue} is iets of iemand aandachtig bekijken om informatie te verzamelen. *** Bij biologie gaan we het gedrag van mieren [observeren]{.text-blue}.
[Begrijpen]{.text-blue} is de betekenis of werking van iets kunnen volgen. *** Na het voorbeeld ga ik de moeilijke regel beter [begrijpen]{.text-blue}.
[Onthouden]{.text-blue} is informatie in je geheugen bewaren zodat je die later nog weet. *** Met een ezelsbruggetje kan ik de volgorde beter [onthouden]{.text-blue}.
[Oefenen]{.text-blue} is iets herhaaldelijk doen om er beter in te worden. *** Voor de toets ga ik de werkwoorden [oefenen]{.text-blue}.
[Herhalen]{.text-blue} is informatie of een handeling opnieuw doornemen. *** Voor het examen moet ik alle hoofdstukken [herhalen]{.text-blue}.
[Samenvatten]{.text-blue} is de belangrijkste informatie kort en duidelijk weergeven. *** Na het lezen ga ik de tekst in vijf zinnen [samenvatten]{.text-blue}.
[Opzoeken]{.text-blue} is gericht naar informatie zoeken in een bron. *** Een onbekend woord ga ik in het woordenboek [opzoeken]{.text-blue}.
[Onderzoeken]{.text-blue} is systematisch informatie verzamelen om een vraag te beantwoorden. *** We gaan [onderzoeken]{.text-blue} welke grondsoort water het beste doorlaat.
[Vergelijken]{.text-blue} is overeenkomsten en verschillen tussen dingen bekijken. *** Voor de opdracht moet ik twee verhalen [vergelijken]{.text-blue}.
[Berekenen]{.text-blue} is met getallen en bewerkingen een uitkomst bepalen. *** Ik ga de totale prijs [berekenen]{.text-blue}.
[Oplossen]{.text-blue} is het juiste antwoord of een werkende aanpak voor een probleem vinden. *** Met een stappenplan kan ik de som [oplossen]{.text-blue}.
[Controleren]{.text-blue} is nakijken of iets juist, volledig of in orde is. *** Na het maken ga ik mijn antwoorden [controleren]{.text-blue}.
[Verbeteren]{.text-blue} is fouten herstellen of ervoor zorgen dat iets beter wordt. *** Met de opmerkingen van de leerkracht ga ik mijn tekst [verbeteren]{.text-blue}.
[Vragen stellen]{.text-blue} is om informatie, uitleg of hulp verzoeken. *** Als ik iets niet begrijp, mag ik [vragen stellen]{.text-blue}.
[Aantekeningen maken]{.text-blue} is belangrijke informatie kort opschrijven om die te bewaren. *** Tijdens de uitleg ga ik [aantekeningen maken]{.text-blue}.
[Presenteren]{.text-blue} is informatie duidelijk aan een publiek laten zien en horen. *** Morgen ga ik mijn werkstuk aan de klas [presenteren]{.text-blue}.
[Evalueren]{.text-blue} is achteraf beoordelen hoe iets is gegaan en wat beter kan. *** Na het project gaan we onze samenwerking [evalueren]{.text-blue}.
Lezen is geschreven tekens en woorden bekijken en hun betekenis begrijpen.
Iedere avond ga ik twintig minuten lezen.
Schrijven is letters en woorden maken om informatie of gedachten vast te leggen.
Voor taal moet ik een kort verhaal schrijven.
Luisteren is aandacht geven aan geluiden of gesproken informatie.
Tijdens de uitleg ga ik goed luisteren.
Observeren is iets of iemand aandachtig bekijken om informatie te verzamelen.
Bij biologie gaan we het gedrag van mieren observeren.
Begrijpen is de betekenis of werking van iets kunnen volgen.
Na het voorbeeld ga ik de moeilijke regel beter begrijpen.
Onthouden is informatie in je geheugen bewaren zodat je die later nog weet.
Met een ezelsbruggetje kan ik de volgorde beter onthouden.
Oefenen is iets herhaaldelijk doen om er beter in te worden.
Voor de toets ga ik de werkwoorden oefenen.
Herhalen is informatie of een handeling opnieuw doornemen.
Voor het examen moet ik alle hoofdstukken herhalen.
Samenvatten is de belangrijkste informatie kort en duidelijk weergeven.
Na het lezen ga ik de tekst in vijf zinnen samenvatten.
Opzoeken is gericht naar informatie zoeken in een bron.
Een onbekend woord ga ik in het woordenboek opzoeken.
Onderzoeken is systematisch informatie verzamelen om een vraag te beantwoorden.
We gaan onderzoeken welke grondsoort water het beste doorlaat.
Vergelijken is overeenkomsten en verschillen tussen dingen bekijken.
Voor de opdracht moet ik twee verhalen vergelijken.
Berekenen is met getallen en bewerkingen een uitkomst bepalen.
Ik ga de totale prijs berekenen.
Oplossen is het juiste antwoord of een werkende aanpak voor een probleem vinden.
Met een stappenplan kan ik de som oplossen.
Controleren is nakijken of iets juist, volledig of in orde is.
Na het maken ga ik mijn antwoorden controleren.
Verbeteren is fouten herstellen of ervoor zorgen dat iets beter wordt.
Met de opmerkingen van de leerkracht ga ik mijn tekst verbeteren.
Vragen stellen is om informatie, uitleg of hulp verzoeken.
Als ik iets niet begrijp, mag ik vragen stellen.
Aantekeningen maken is belangrijke informatie kort opschrijven om die te bewaren.
Tijdens de uitleg ga ik aantekeningen maken.
Presenteren is informatie duidelijk aan een publiek laten zien en horen.
Morgen ga ik mijn werkstuk aan de klas presenteren.
Evalueren is achteraf beoordelen hoe iets is gegaan en wat beter kan.
Na het project gaan we onze samenwerking evalueren.