Leer in 15 kaarten hoe handel landen rijker maakt, maar ook afhankelijk en soms kwetsbaar.
Het ene land maakt iets dat een ander land nodig heeft. Door te ruilen kunnen beide landen voordeel hebben.
Landen hebben elkaars spullen, kennis, geld of klanten nodig.
Als het ene land makkelijk een andere verkoper vindt, maar het andere land bijna geen alternatief heeft.
Een land kan toegang tot belangrijke spullen of een grote markt gebruiken om druk uit te oefenen.
Een strafmaatregel, zoals niet meer handelen of geld vastzetten, om gedrag te veranderen.
Als het doel duidelijk is, veel landen meedoen en de maatregel goed wordt gecontroleerd.
Een land verbiedt de verkoop van bepaalde belangrijke spullen of techniek aan een ander land.
Chips zitten in telefoons, auto's, fabrieken en wapens. De moeilijkste chips worden maar op weinig plekken gemaakt.
Wie leningen, banken of betalingen beheerst, kan bepalen wie makkelijk geld kan krijgen of versturen.
Een munt die landen en bedrijven vaak gebruiken voor handel en sparen.
Wie veel geld uitleent, kan voorwaarden stellen. Toch zijn schulden meestal de verantwoordelijkheid van beide kanten.
Een land koopt belangrijke spullen vaker bij landen die het vertrouwt.
Een land zoekt extra leveranciers, zodat ÊÊn probleem niet meteen alles stillegt.
Ja. Spullen kunnen duurder worden, bedrijven verliezen klanten en de ander kan terugslaan.
Handel maakt landen rijker Ên afhankelijk. Wie een belangrijke schakel beheerst, krijgt invloed.