Getallen, kloktijden, dagen, maanden en data.
Hoe zeg je het getal 14?
Veertien.
Hoe zeg je dat iets gisteren gebeurde?
Dat gebeurde gisteren.
Hoe zeg je dat iets morgen gebeurt?
Dat gebeurt morgen.
Hoeveel minuten zitten er in een uur?
Zestig minuten.
Hoe zeg je het getal 30?
Dertig.
Hoe laat is het bij 08.15 uur?
Kwart over acht.
Hoe laat is het bij 17.30 uur?
Half zes.
Hoe laat is het bij 21.45 uur?
Kwart voor tien.
Welke dag komt na woensdag?
Donderdag.
Welke maand komt na april?
Mei.
Hoe schrijf je 3 juli 2026 in woorden?
Drie juli tweeduizendzesentwintig.
Hoe vraag je naar het tijdstip van een afspraak?
Hoe laat is de afspraak?