StrategieΓ«n voor hoofdgedachte, details, signaalwoorden en luisterdoel.
U bekijkt de vraag en zoekt doelgericht naar relevante informatie.
U blijft luisteren naar de hoofdboodschap en volgende aanwijzingen.
U wijst de passage aan die uw keuze ondersteunt.
Om tempo en aandacht over de hele toets te verdelen.
Die voorspellen het onderwerp en de structuur.
Een woord dat essentieel is voor de betekenis of de vraag.
U scant op cijfers, symbolen en woorden eromheen.
U gebruikt de context en controleert of het woord nodig is voor het antwoord.
Om verschillen en afleiders te herkennen.
U leest de vraag en voorspelt welke informatie u nodig heeft.
Op wie, wat, waar en wanneer.
Een woord dat een verband aangeeft, zoals βmaarβ, βomdatβ of βdaaromβ.