Gemengde kennis- en inzichtvragen uit alle acht examenonderwerpen. Streef naar minimaal 44 van 50 goed.
Ja.
De bestuurder van rechts.
Verkeer op de verharde weg gaat voor.
Volledig stoppen en voorrang verlenen.
Voorrang verlenen aan bestuurders op de kruisende weg.
50 km/u, tenzij anders aangegeven.
15 km/u.
80 km/u.
Reactieafstand plus remafstand.
Ongeveer vier keer zo lang.
Al het overige verkeer.
Verkeer op de doorgaande rijbaan.
Verkeer dat al op de doelrijstrook rijdt.
Nee.
De fietser.
De ander: korte bocht voor lange bocht.
Voor laten gaan.
Nee, tekens bepalen dit.
Ja.
Nee.
Rijstrook gesloten.
Stoppen, tenzij veilig stoppen redelijkerwijs niet meer kan.
Een aanwijzing van een bevoegd persoon.
Nee.
Stilstaan verboden.
Parkeren verboden.
Nee.
Bij mist/sneeuw met zicht minder dan 50 m.
Nee.
’s Nachts als je niemand verblindt.
0,2‰ of 88 µg/l.
Nee.
Nee, niet zolang rijvaardigheid is beïnvloed.
Nee, zolang je aan het verkeer deelneemt.
Veilig stoppen en rusten.
Gas los, rustig sturen, niet abrupt remmen.
Kunnen stoppen binnen zichtbare vrije afstand.
Veilig naar rechts en inzittenden achter vangrail.
112.
Nee.
1,6 mm.
Veilig stoppen en motor uit.
Helpt wielblokkeren voorkomen bij hard remmen.
Nee.
Passend goedgekeurd kinderzitje, behoudens uitzonderingen.
De bestuurder.
90 km/u.
Ja.
50.
Minimaal 44 van 50.