Leer en onthoud met 15 compacte kaarten de kern van canonvenster 46. Onderdeel van de collectie De Canon van Nederland.
Eeuwenlang waren vooral hout en turf de belangrijkste brandstoffen voor warmte en koken.
De goedkope fossiele brandstof dreef stoommachines, fabrieken en treinen aan en maakte industrialisatie mogelijk.
Vooral in Zuid-Limburg, waar vanaf 1900 twaalf mijnen werden geopend.
De mijnen brachten werk, migranten en groei; steden als Heerlen en Geleen kregen nieuwe huizen, scholen en ziekenhuizen.
Een reusachtige aardgasvoorraad onder het Groningse land van boer Boon.
Een landelijk leidingnet bracht gas naar vrijwel ieder huis voor verwarming en koken.
Aardgas was gemakkelijk te winnen en buitenlandse steenkool was goedkoper dan kolen uit Limburg.
In 1965 kondigde de regering de geleidelijke sluiting van de Limburgse mijnen aan.
Ongeveer 45.000 arbeidsplaatsen, naast tienduizenden banen bij toeleveranciers.
Op 31 december 1974 kwam de laatste kolenwagon uit de Oranje-Nassau I in Heerlen.
Vanaf 1975 volgden langdurige werkloosheid, economische achteruitgang en sociale problemen.
Stijgend vervuild grondwater en instabiele mijngangen kunnen bodemverzakkingen en zinkgaten veroorzaken.
Bodemdaling en aardbevingen beschadigden huizen en brachten langdurige onzekerheid en protest.
De overheid bood excuses aan, kondigde herstelmaatregelen aan en beΓ«indigde de grootschalige winning uit het Groningenveld.
Fossiele brandstoffen veroorzaken vervuiling, aardbevingen en COβ-uitstoot; duurzame bronnen als zon, wind en waterstof moeten hun rol overnemen.