Leer en onthoud met 15 compacte kaarten de kern van canonvenster 23. Onderdeel van de collectie De Canon van Nederland.
Slavernij is een systeem waarin mensen onder dwang onbetaald werken en als bezit worden behandeld, zonder vrijheid over hun eigen leven.
In Nederlandse koloniën en handelsgebieden in zowel het Atlantische gebied als Azië werden mensen tot slaaf gemaakt.
Fort Elmina, aan de kust van het huidige Ghana, was een belangrijk Nederlands steunpunt voor handel in tot slaaf gemaakte mensen.
Europese handelaren ruilden onder meer textiel, metaalwaren en wapens tegen mensen die gevangen waren genomen en verkocht.
De West-Indische Compagnie vervoerde en verhandelde tot slaaf gemaakte mensen naar Nederlandse gebieden in het Atlantische gebied.
Na het verlies van Nederlands-Brazilië werd Curaçao een belangrijke markt vanwaar mensen naar verschillende plantagekoloniën werden doorverkocht.
Nee. Ook in Azië werden onder Nederlands gezag honderdduizenden mensen tot slaaf gemaakt en verhandeld.
Ongeveer 12 miljoen Afrikanen werden over de Atlantische Oceaan vervoerd; Nederlandse schepen vervoerden er naar schatting 600.000.
Zij moesten onder dwang werken op plantages, in mijnen, in werkplaatsen, op schepen en in huishoudens.
Rond 1770 bestond ongeveer 19% van de Nederlandse invoer uit producten die door tot slaaf gemaakte mensen waren gemaakt; ruim 5% van de economie hing met slavernij samen.
Eigenaren en bestuurders gebruikten wetten, racisme, lichamelijk geweld en zware straffen om mensen te controleren.
Marrons waren mensen die aan slavernij ontsnapten en zelfstandige gemeenschappen vormden, zoals de Saamaka, Aluku en Okanisi.
Tula leidde in 1795 op Curaçao een grote opstand tegen slavernij. De opstand werd met geweld neergeslagen.
De trans-Atlantische slavenhandel werd in 1814 verboden. Slavernij eindigde in 1860 in Nederlands-Indië en in 1863 in de Atlantische koloniën.
Op 1 juli wordt de afschaffing van de slavernij herdacht en vrijheid gevierd. De naam Keti Koti betekent ‘verbroken ketenen’.