Leer en onthoud met 15 compacte kaarten de basis van economie: inflatie, rente, bbp, belasting, arbeidsmarkt, productiviteit, schuld en koopkracht.
De studie van keuzes bij schaarste. Mensen, bedrijven en overheden verdelen beperkte middelen.
Een algemene stijging van prijzen. Je geld wordt daardoor minder waard.
De prijs van geld lenen of de beloning voor sparen. Rente beรฏnvloedt uitgaven, investeringen en huizenprijzen.
De totale waarde van productie in een land. Het meet economische omvang, niet automatisch welzijn.
Wat je met je inkomen kunt kopen. Koopkracht hangt af van loon, prijzen en belastingen.
Hoeveel waarde per uur of werknemer wordt gemaakt. Hogere productiviteit maakt hogere lonen makkelijker.
Mensen zoeken werk maar hebben geen baan. Werkloosheid raakt inkomen, welzijn en overheidsuitgaven.
Geld dat burgers en bedrijven aan de overheid betalen. Daarmee worden publieke taken gefinancierd.
De overheid geeft meer uit dan er binnenkomt. Het verschil wordt meestal geleend.
De totale schuld van de overheid. Schuld kan nuttig zijn, maar rente en vertrouwen tellen mee.
Ze beรฏnvloeden rente en geldhoeveelheid. Zo proberen ze prijzen en financiรซle stabiliteit te bewaken.
Financiรซle markten kunnen grote schade veroorzaken. Toezicht en vertrouwen zijn cruciaal.
Toename van productie of inkomen. Groei kan welvaart brengen, maar ook milieudruk verhogen.
Daar komen werk, inkomen en personeel samen. Krapte of werkloosheid raakt bijna iedereen.
Economie bepaalt mede prijzen, werk, wonen en publieke voorzieningen. Beleid wordt snel voelbaar.