Helder formuleren met passende woorden, zinsbouw en goed opgebouwde alinea's.
Een zin waarvan de lezer snel begrijpt wie wat doet en wat wordt bedoeld.
Een groep zinnen over één duidelijk deelonderwerp.
De zin die het belangrijkste punt van een alinea geeft.
De handelende persoon of zaak staat duidelijk vooraan: βDe leerling test de instructie.β
Bewust afwisselen in lengte, begin en bouw van zinnen.
De lezer hoeft minder te raden en krijgt een duidelijker beeld.
De lezer moet te veel informatie tegelijk vasthouden.
De tekst kan hakkelend klinken en verbanden blijven onduidelijk.
De tekst wordt overzichtelijk en informatie is sneller terug te vinden.
Je hoort herhaling, vreemde zinsbouw en ontbrekende woorden sneller.
Splits hem of zet de belangrijkste boodschap vooraan.
Vervang woorden als dingen, leuk en doen door concrete woorden.
Begin met de kern en geef daarna uitleg, bewijs, voorbeelden of details.
Wissel korte en langere zinnen af en verander soms het eerste zinsdeel.
Kan de lezer elke zin begrijpen en bij elke alinea één kern noemen?