Plaatjes in je hoofd of op papier maken.
Een plaatje maken bij woorden.
In gedachten zien wat er in het verhaal gebeurt.
Personen, plaatsen, acties en sfeer.
Stappen, pijlen of een eenvoudig schema.
Een tekening, tijdlijn, tabel of woordweb.
Je begrijpt de woorden beter.
Je ziet hoe dingen bij elkaar horen.
Iedereen kent en bedenkt andere dingen.
Je plaatje moet bij de woorden passen.
Je bewaart woorden én plaatjes in je hoofd.
Lees rustig en bedenk wat je ziet en hoort.
Gebruik wat de tekst zegt over uiterlijk en gedrag.
Als je de volgorde van gebeurtenissen wilt zien.
Wijs de woorden aan die bij elk deel horen.
‘Maakt mijn beeld de tekst duidelijker?’