Gebruiken wat je al weet en nieuwe woorden leren.
Alles wat je al over iets weet.
Alle woorden die je begrijpt.
Kennis die je vรณรณr het lezen gebruikt.
De zinnen rond het woord.
Door lezen, praten, kijken en doen.
Nieuwe informatie past bij wat je al weet.
Je begrijpt de zinnen sneller.
Dan onthoud je het beter.
Je leert steeds meer over hetzelfde onderwerp.
Het laat zien wat een woord betekent.
Noem drie dingen die je al weet.
Lees de zin ervoor en erna.
Een bekend stukje geeft een hint.
Schrijf het met een uitleg of tekening.
Lees verder, vraag hulp of zoek uitleg.