9B Β· Uitgewerkt: 15 kaartjes. Basisniveau, ongeveer 9 jaar. Leeronderwerpen: Illustraties, tekst en beeld, bladspiegel, witruimte, lettertype, tekstballonnen en visuele poΓ«zie; visuele kenmerken benoemen met voorbeelden.
Een afbeelding bij de tekst. Die kan tonen wat er gebeurt, iets aanvullen of juist iets anders laten zien dan de woorden.
Vertel wat de woorden zeggen en wat je op de afbeelding ziet. Zoek wat overeenkomt en welke informatie het beeld toevoegt.
Woorden en beeld lijken te botsen. Misschien verbergt het personage angst. Gebruik beide als aanwijzing en bespreek je uitleg.
De lezer krijgt een aanwijzing die de woorden niet geven. Of het personage de sleutel ook ziet, moet je nog onderzoeken.
Hoe tekst en beelden zijn geplaatst en eruitzien, zoals lettergrootte, kleur, witruimte en de verdeling over de bladzijde.
Ruimte zonder tekst of beeld. Die kan onderdelen scheiden of iets laten opvallen. Kijk waar de maker die ruimte gebruikt.
Witruimte kan versregels of strofen van elkaar scheiden. Gebruik ook andere kenmerken: witruimte alleen bewijst geen poΓ«zie.
Het kan aandacht trekken of nadruk suggereren, bijvoorbeeld bij een luide kreet. Lees de context om te bepalen wat hier past.
Nee. Schuine letters kunnen ook een titel of nadruk aangeven. Kijk hoe ze in deze tekst worden gebruikt.
Een vorm rond gesproken woorden. Een aanwijspuntje laat vaak zien wie spreekt. Kijk samen met de plaatjes naar het gesprek.
Een wolkballon kan een gedachte tonen en een grillige ballon een harde kreet. Controleer de woorden en beelden erbij.
Een gedicht waarbij de plaatsing van de woorden een zichtbaar beeld vormt. De vorm kan met de inhoud samenhangen.
De kolommen kunnen vallende regendruppels uitbeelden. De plaatsing van de woorden sluit zo aan bij het onderwerp.
Nee. Ze kunnen in poëzie, proza en drama voorkomen. Benoem wat je ziet zonder één kenmerk meteen aan één genre vast te koppelen.
Wijs het kenmerk aan, benoem het en beschrijf hoe het bij de woorden past. Leg een mogelijke werking uit met een voorbeeld.