9B · Uitgewerkt: 15 kaartjes. Basisniveau, ongeveer 9 jaar. Leeronderwerpen: Letterlijk en figuurlijk taalgebruik; vergelijkingen, beeldspraak, personificatie en overdrijving herkennen en uitleggen in de context.
De woorden bedoelen wat ze direct zeggen. Bij ‘De doos is zwaar’ kan het echt gaan om een doos die veel weegt.
Woorden bedoelen meer of iets anders dan hun letterlijke betekenis. ‘Een berg huiswerk’ betekent bijvoorbeeld heel veel huiswerk.
Dat zijn kamer erg vies of rommelig is, niet dat er echt zwijnen wonen. De zin gebruikt een beeld.
Lees wat eromheen staat en kijk wat past bij de situatie. Dezelfde woorden kunnen in een andere tekst iets anders betekenen.
Twee dingen worden naast elkaar gezet, vaak met ‘als’ of ‘zoals’: ‘Ze rent als de wind’ benadrukt haar snelheid.
Haar stem en fluweel. De overeenkomst is zachtheid; je kunt een stem natuurlijk niet als stof aanraken.
Nee. ‘Als het regent, blijf ik thuis’ geeft een voorwaarde. Er worden geen twee dingen vergeleken.
Beeldspraak waarbij je iets benoemt als iets anders. Hier wordt bedoeld dat hij heel veel weet, niet dat hij een boek is.
De zon krijgt menselijk gedrag: lachen. Zo'n vorm van beeldspraak heet personificatie en kan een vrolijk beeld oproepen.
Fluisteren is menselijk gedrag dat aan de wind wordt gegeven. Het roept bijvoorbeeld het beeld van zacht geruis op.
Iets wordt groter of sterker gezegd dan het echt is, zoals ‘Ik wacht al honderd jaar’ voor heel lang wachten.
Dat iemand heel veel tijd heeft. De grote hoeveelheid water van een zee wordt gebruikt als beeld voor veel tijd.
Ja. In alle drie kunnen beelden, vergelijkingen en overdrijvingen voorkomen. Ze zijn niet alleen voor gedichten.
Noem de woorden, leg uit wat ze in deze situatie betekenen en vertel welk beeld ze bij jou oproepen.
‘Er staat … . Letterlijk zou dat … zijn. Hier betekent het …, want … .’ Gebruik de situatie in de tekst als aanwijzing.