9B · Uitgewerkt: 15 kaartjes. Basisniveau, ongeveer 9 jaar. Leeronderwerpen: Proza- en dramateksten vergelijken; verteller, beschrijving, dialoog, rollen en regieaanwijzingen; één scène in twee tekstvormen.
De verteller vertelt wat er gebeurt en kan beschrijven wat iemand ziet, denkt of voelt. De schrijver maakt die vertelstem.
Nee. De schrijver kan een verzonnen ‘ik’ of andere vertelstem gebruiken. Wat de verteller zegt, is niet automatisch echt gebeurd.
Een ‘ik’ vertelt het verhaal, bijvoorbeeld: ‘Ik verstopte de sleutel.’ Die ik kan zelf een personage zijn.
Een gesprek tussen personages. Een dialoog kan zowel in proza als in een dramatekst voorkomen.
Die laat je bijvoorbeeld een plek, uiterlijk of handeling voorstellen. Je leest meer dan alleen gesproken woorden.
Welke woorden het personage zegt, vaak met de rolnaam ervoor. Aanwijzingen kunnen vertellen wat het personage doet.
Een aanwijzing in een dramatekst voor het spelen, zoals ‘fluistert’ of ‘loopt naar de deur’. Die wordt meestal niet uitgesproken.
‘Ik heb de sleutel.’ De rolnaam en ‘fluistert’ helpen bij het spelen en horen hier niet bij de gesproken woorden.
Een samenhangend stukje van een toneelstuk, meestal rond één situatie. Ook in een prozaverhaal kun je scènes onderscheiden.
Bijvoorbeeld door woorden, gezicht of houding van een speler. Kies wat past; niet elke gedachte hoeft hardop gezegd te worden.
Bijvoorbeeld: ‘NOOR: (friemelt aan haar mouw en kijkt naar de deur) Zou hij komen?’ Zo maak je haar onrust zichtbaar en hoorbaar.
Bij ‘BO: (roept) Wacht!’ kun je schrijven: ‘Bo riep dat ze moesten wachten.’ Een verteller vertelt dan wat Bo doet.
Een dramatekst kan wel een vertellersrol hebben. Rollen en speelbedoeling blijven belangrijke aanwijzingen.
Proza kan gedachten beschrijven. Drama laat veel zien of horen via spel en dialoog. Dezelfde gebeurtenis kan in beide vormen.
Zoek dezelfde gebeurtenis. Wijs daarna verteller, beschrijvingen, gesproken tekst en speelopdrachten aan waar die voorkomen.