9A Β· Uitgewerkt: 15 kaartjes. Basisniveau, ongeveer 9 jaar. Leeronderwerpen: Begin, gebeurtenissen en afloop; oorzaak en gevolg; volgorde, keerpunt en verandering; verband tussen doel, keuzes en uitkomst.
Hoe gebeurtenissen samenhangen en hoe de situatie van de hoofdpersoon verandert van begin tot afloop.
Bijvoorbeeld wie we volgen, waar die is en welke wens of welk probleem speelt. Soms ontdek je dat pas later.
De hoofdpersoon probeert iets te doen. Dat heeft gevolgen en kan nieuwe kansen of problemen geven.
Dat waardoor iets gebeurt. Bij βDe brug breekt, dus Noor moet omβ is de gebroken brug de oorzaak van de omweg.
Wat door iets anders gebeurt. Omdat de brug breekt, moet Noor omlopen: die omweg is een gevolg.
De pootafdrukken geven haar een spoor. Daarom kiest ze die richting om haar hond te zoeken.
Nee. βHet regent. Sam belt.β zegt nog niet dat Sam belt door de regen. Zoek een verband in de tekst.
Een gebeurtenis of ontdekking waardoor het verhaal een andere richting krijgt, zoals een onverwachte aanwijzing.
Die ontdekking kan veranderen wie de hoofdpersoon vertrouwt en wat die hierna gaat doen. Kijk of de tekst dat laat zien.
Noteer de belangrijkste gebeurtenissen in volgorde. Verbind ze met woorden als βomdatβ, βdaardoorβ en βmaarβ.
Een belangrijke gebeurtenis verandert bijvoorbeeld het doel of de kansen. Een detail kan iets aankleden zonder de verhaallijn te veranderen.
Een stukje over iets dat eerder gebeurde. Het kan uitleggen waarom een personage nu iets doet of voelt.
Zoek woorden als βvroegerβ en βeen jaar eerderβ. Zet de gebeurtenissen daarna in de volgorde waarin ze echt plaatsvonden.
Nee. Een verhaal kan vragen openlaten. Vertel wat wel veranderde en wat je na de laatste zin nog niet weet.
βEerst wil of moet β¦ . Door β¦ gebeurt β¦ . Daarna kiest β¦ . Aan het einde β¦ .β Gebruik alleen wat de tekst ondersteunt.