9A Β· Uitgewerkt: 15 kaartjes. Basisniveau, ongeveer 9 jaar. Leeronderwerpen: Hoofdpersoon, probleem, wens en doel; de motor van het verhaal; obstakels en keuzes; tekstaanwijzingen gebruiken.
De figuur die we vooral volgen. Het verhaal draait vaak om wat die meemaakt, wil of probeert op te lossen.
De wens of het probleem waardoor de hoofdpersoon in actie komt. Daardoor komen gebeurtenissen op gang.
Iets dat lastig is en waarvoor die een oplossing zoekt, zoals een verdwenen huisdier of ruzie met een vriend.
Iets dat die graag wil bereiken, krijgen of veranderen, zoals meedoen aan een wedstrijd of ergens bij horen.
Haar hond is kwijt: dat is het probleem. Ze wil hem terugvinden: dat is haar doel.
Zijn angst om voor te spelen staat zijn wens in de weg. Een obstakel kan ook in een personage zelf zitten.
Iets dat het bereiken van een doel moeilijk maakt. Dat kan een persoon, een gebeurtenis of een eigen angst zijn.
Let op wat die zegt, denkt en doet. Zoek aanwijzingen die laten zien wat voor die persoon belangrijk is.
Waarschijnlijk wil Noor haar broer vinden. Haar vragen zijn een aanwijzing; zoek verder in de tekst of dit klopt.
Een hobby vertelt iets over iemand. Pas als een wens of probleem ermee gebeurtenissen op gang brengt, drijft die het verhaal.
De ontsnapte kat. Bo wil de kat vinden en gaat daarom zoeken. Tekenen is hier alleen achtergrondinformatie.
Ja. Iemand kan willen winnen Γ©n eerlijk willen blijven. Die wensen kunnen elkaar in de weg zitten.
Ja. Door een ontdekking of gebeurtenis kan iets anders belangrijk worden. Wijs aan waar en waarom het doel verandert.
Vertel wat de hoofdpersoon wil en waarom die keuze daarbij past. Bijvoorbeeld: Lina volgt pootafdrukken om haar hond te vinden.
βDe hoofdpersoon wil β¦ of heeft het probleem β¦ . Daarom β¦ .β Vul aan met een concrete actie uit de tekst.