Ontdek hoe steden in de late middeleeuwen groeiden door handel en ambachten. Leer wat stadsrechten waren, hoe burgers leefden en werkten, en hoe steden steeds meer macht kregen.
Welke tijd noemen we de tijd van de steden en de staten?
Ongeveer 1000 tot 1500 na Christus, aan het einde van de middeleeuwen.
Wat veranderde er in deze tijd vergeleken met daarvoor?
Steden groeiden en werden belangrijker dan het platteland.
Waarom groeiden steden zo snel?
Door handel, ambachten en betere landbouw met meer voedsel.
Hoe zag een middeleeuwse stad eruit?
Smalle straten, stadsmuren, een markt en een grote kerk.
Wat deden veel mensen voor werk in de stad?
Ze waren ambachtsman of handelaar, zoals bakker, smid of koopman.
Wat is een ambacht?
Werk waarbij je iets met de hand maakt, zoals schoenen of kleren.
Wat zijn gilden?
Groepen ambachtslieden met hetzelfde beroep die samen regels maakten.
Waarom waren gilden belangrijk?
Ze zorgden voor kwaliteit, opleiding en hulp voor leden.
Waarom was handel tussen steden belangrijk?
Steden ruilden goederen die ze zelf niet hadden.
Wat zijn stadsrechten?
Speciale rechten waarmee een plaats officieel een stad werd.
Welke rechten hoorde vaak bij stadsrechten?
Zelfbestuur, markten houden en stadsmuren bouwen.
Wie bestuurden de stad?
Rijke burgers, zoals kooplieden, in het stadsbestuur.
Wat is een staat?
Een gebied met duidelijke grenzen en één bestuur met dezelfde wetten.
Wat betekende de groei van steden voor de macht?
Koningen en heren kregen concurrentie van rijke steden.
Wat kun je onthouden van deze tijd?
Steden groeiden door handel en kregen steeds meer vrijheid en invloed.