Stap in de middeleeuwen: een tijd van kastelen, ridders en kloosters. Ontdek hoe mensen leefden, geloofden en samenwerkten, en waarom monniken en ridders zo belangrijk waren.
Welke tijd noemen we de tijd van de monniken en ridders?
De middeleeuwen, ongeveer van 500 tot 1000 na Christus.
Hoe leefden de meeste mensen in deze tijd?
Ze woonden op het platteland en werkten vooral als boer.
Hoe zag een dorp er vaak uit?
Boerderijen rond een kerk of kasteel.
Wie waren ridders?
Soldaten te paard die hun heer moesten beschermen.
Wat droeg een ridder om zich te beschermen?
Een harnas, een schild en een helm.
Waarom waren kastelen belangrijk?
Ze boden bescherming tegen vijanden en waren het huis van de heer.
Wat beloofde een ridder aan zijn heer?
Trouw en hulp bij oorlog.
Hoe heet dit systeem van wederzijdse afspraken?
Het feodale stelsel.
Wat geloofden de meeste mensen in deze tijd?
Het christelijk geloof.
Wie had veel macht naast de koning?
De kerk en hoge geestelijken.
Wie waren monniken?
Mannen die in kloosters leefden om God te dienen.
Wat deden monniken de hele dag?
Bidden, werken en leren (bijvoorbeeld boeken overschrijven).
Waarom waren kloosters belangrijk voor kennis?
Monniken bewaarden en kopieerden boeken.
Wat was een voordeel van het leven in deze tijd?
Bescherming door heren en ridders.
Wat was een nadeel van het leven in deze tijd?
Weinig vrijheid en een hard bestaan voor boeren.