Set flashcards met alle woordsoorten die je moet kennen op referentieniveau 1F: zelfstandig naamwoord, werkwoord, bijvoeglijk naamwoord en lidwoord.
Een zelfstandig naamwoord is een woord voor een mens, dier, ding, gevoel, plaats, tijd of concept. Je kunt er een lidwoord (de, het, een) voor zetten. --- Bijvoorbeeld: de [vrouw]{.text-blue}, de [krokodil]{.text-blue}, de [liefde]{.text-blue}, de [maandag]{.text-blue} en het [idee]{.text-blue}.
Een lidwoord staat vóór een zelfstandig naamwoord en geeft aan of het om iets specifieks of algemeens gaat. --- Er zijn drie lidwoorden in het Nederlands: [de]{.text-blue}, [het]{.text-blue} en [een]{.text-blue}.
Een bijvoeglijk naamwoord zegt iets over een zelfstandig naamwoord. Het geeft een eigenschap of kenmerk aan. --- Bijvoorbeeld: de [mooie]{.text-blue} bloem, de [grote]{.text-blue} hond, het [rode]{.text-blue} huis.
Een werkwoord is een 'doe-woord'. Het zegt wat iets of iemand doet of wat er met iets of iemand gebeurt. --- Bijvoorbeeld: [lopen]{.text-blue}, [denken]{.text-blue}, [zijn]{.text-blue}, [worden]{.text-blue}.
Een zelfstandig naamwoord is een woord voor een mens, dier, ding, gevoel, plaats, tijd of concept. Je kunt er een lidwoord (de, het, een) voor zetten.
Bijvoorbeeld: de vrouw, de krokodil, de liefde, de maandag en het idee.
Een lidwoord staat vóór een zelfstandig naamwoord en geeft aan of het om iets specifieks of algemeens gaat.
Er zijn drie lidwoorden in het Nederlands: de, het en een.
Een bijvoeglijk naamwoord zegt iets over een zelfstandig naamwoord. Het geeft een eigenschap of kenmerk aan.
Bijvoorbeeld: de mooie bloem, de grote hond, het rode huis.
Een werkwoord is een 'doe-woord'. Het zegt wat iets of iemand doet of wat er met iets of iemand gebeurt.
Bijvoorbeeld: lopen, denken, zijn, worden.