Je leert en onthoudt de belangrijkste woorden bij het onderwerp 'werken en organiseren'.
[Plannen]{.text-blue} is vooraf bepalen wat wanneer en door wie wordt gedaan. *** Aan het begin van de week ga ik mijn taken [plannen]{.text-blue}.
[Prioriteren]{.text-blue} is bepalen welke taken het belangrijkst of het dringendst zijn. *** Bij grote drukte moet ik mijn werkzaamheden [prioriteren]{.text-blue}.
[Voorbereiden]{.text-blue} is vooraf alles regelen wat nodig is voor een taak of gebeurtenis. *** Vandaag ga ik de vergadering van morgen [voorbereiden]{.text-blue}.
[Uitvoeren]{.text-blue} is een geplande taak of opdracht daadwerkelijk doen. *** Na goedkeuring gaan we het plan [uitvoeren]{.text-blue}.
[Noteren]{.text-blue} is informatie kort opschrijven om die te bewaren. *** Tijdens het gesprek ga ik de belangrijkste punten [noteren]{.text-blue}.
[Agenderen]{.text-blue} is een onderwerp op de agenda van een bespreking zetten. *** Voor de volgende vergadering wil ik dit probleem [agenderen]{.text-blue}.
[Vergaderen]{.text-blue} is met meerdere mensen formeel over werk of plannen overleggen. *** Iedere maand gaan de teamleiders samen [vergaderen]{.text-blue}.
[Delegeren]{.text-blue} is een taak of verantwoordelijkheid aan iemand anders overdragen. *** De projectleider gaat enkele taken [delegeren]{.text-blue}.
[Coördineren]{.text-blue} is verschillende werkzaamheden en mensen goed op elkaar afstemmen. *** Eén medewerker gaat de verhuizing [coördineren]{.text-blue}.
[Documenten ordenen]{.text-blue} is bestanden volgens een duidelijk systeem rangschikken. *** Op vrijdag ga ik de digitale [documenten ordenen]{.text-blue}.
[Archiveren]{.text-blue} is documenten of gegevens systematisch bewaren zodat ze later terug te vinden zijn. *** Afgeronde dossiers gaan we digitaal [archiveren]{.text-blue}.
[E-mail beantwoorden]{.text-blue} is schriftelijk reageren op een ontvangen elektronisch bericht. *** Voor de lunch ga ik deze belangrijke [e-mail beantwoorden]{.text-blue}.
[Een afspraak inplannen]{.text-blue} is een geschikt tijdstip kiezen en in de agenda vastleggen. *** Met de klant ga ik [een afspraak inplannen]{.text-blue}.
[Een deadline bewaken]{.text-blue} is erop letten dat werk uiterlijk op het afgesproken tijdstip klaar is. *** De projectleider moet [de deadline bewaken]{.text-blue}.
[De voortgang volgen]{.text-blue} is regelmatig controleren hoe ver het werk is gevorderd. *** Met een overzicht kunnen we [de voortgang volgen]{.text-blue}.
[Werk controleren]{.text-blue} is nakijken of taken juist en volledig zijn uitgevoerd. *** Voor verzending ga ik het [werk controleren]{.text-blue}.
[Rapporteren]{.text-blue} is resultaten of gebeurtenissen mondeling of schriftelijk vastleggen en doorgeven. *** Iedere vrijdag ga ik over de voortgang [rapporteren]{.text-blue}.
[Problemen oplossen]{.text-blue} is oorzaken onderzoeken en een werkende oplossing uitvoeren. *** Samen gaan we de technische [problemen oplossen]{.text-blue}.
[Afronden]{.text-blue} is de laatste werkzaamheden uitvoeren zodat een taak volledig klaar is. *** Voor vijf uur wil ik het verslag [afronden]{.text-blue}.
[Werk evalueren]{.text-blue} is achteraf beoordelen wat goed ging en wat beter kan. *** Na afloop gaan we het project [evalueren]{.text-blue}.
Plannen is vooraf bepalen wat wanneer en door wie wordt gedaan.
Aan het begin van de week ga ik mijn taken plannen.
Prioriteren is bepalen welke taken het belangrijkst of het dringendst zijn.
Bij grote drukte moet ik mijn werkzaamheden prioriteren.
Voorbereiden is vooraf alles regelen wat nodig is voor een taak of gebeurtenis.
Vandaag ga ik de vergadering van morgen voorbereiden.
Uitvoeren is een geplande taak of opdracht daadwerkelijk doen.
Na goedkeuring gaan we het plan uitvoeren.
Noteren is informatie kort opschrijven om die te bewaren.
Tijdens het gesprek ga ik de belangrijkste punten noteren.
Agenderen is een onderwerp op de agenda van een bespreking zetten.
Voor de volgende vergadering wil ik dit probleem agenderen.
Vergaderen is met meerdere mensen formeel over werk of plannen overleggen.
Iedere maand gaan de teamleiders samen vergaderen.
Delegeren is een taak of verantwoordelijkheid aan iemand anders overdragen.
De projectleider gaat enkele taken delegeren.
Coördineren is verschillende werkzaamheden en mensen goed op elkaar afstemmen.
Eén medewerker gaat de verhuizing coördineren.
Documenten ordenen is bestanden volgens een duidelijk systeem rangschikken.
Op vrijdag ga ik de digitale documenten ordenen.
Archiveren is documenten of gegevens systematisch bewaren zodat ze later terug te vinden zijn.
Afgeronde dossiers gaan we digitaal archiveren.
E-mail beantwoorden is schriftelijk reageren op een ontvangen elektronisch bericht.
Voor de lunch ga ik deze belangrijke e-mail beantwoorden.
Een afspraak inplannen is een geschikt tijdstip kiezen en in de agenda vastleggen.
Met de klant ga ik een afspraak inplannen.
Een deadline bewaken is erop letten dat werk uiterlijk op het afgesproken tijdstip klaar is.
De projectleider moet de deadline bewaken.
De voortgang volgen is regelmatig controleren hoe ver het werk is gevorderd.
Met een overzicht kunnen we de voortgang volgen.
Werk controleren is nakijken of taken juist en volledig zijn uitgevoerd.
Voor verzending ga ik het werk controleren.
Rapporteren is resultaten of gebeurtenissen mondeling of schriftelijk vastleggen en doorgeven.
Iedere vrijdag ga ik over de voortgang rapporteren.
Problemen oplossen is oorzaken onderzoeken en een werkende oplossing uitvoeren.
Samen gaan we de technische problemen oplossen.
Afronden is de laatste werkzaamheden uitvoeren zodat een taak volledig klaar is.
Voor vijf uur wil ik het verslag afronden.
Werk evalueren is achteraf beoordelen wat goed ging en wat beter kan.
Na afloop gaan we het project evalueren.