Deze set behandelt de belangrijkste kenmerken van het tijdperk van de jagers en verzamelaars, waaronder hun leefwijze, voedsel, gereedschap en sociale organisatie. Ideaal voor het leren over de prehistorie en het dagelijks leven van de eerste mensen.
Mensen leefden als nomaden, jaagden op dieren en verzamelden planten. Ze hadden geen vaste woonplaats.
Vuur voor warmte en koken, en samenwerking binnen kleine groepen om voedsel te vinden.
Ze woonden in tijdelijke hutten, tenten of grotten.
Op dieren zoals herten, mammoeten en wilde zwijnen.
Ze verzamelden bessen, noten, wortels en andere eetbare planten.
Ze gebruikten steen, hout en botten om gereedschap te maken.
Ze trokken rond als nomaden, altijd op zoek naar voedsel.
Ze leefden in kleine groepen en werkten samen om te overleven.
Rotstekeningen, werktuigen en vuurplaatsen zijn sporen van hun leven.
Ze aten vlees, vis, vruchten, noten en planten.
Vuur gaf warmte, licht en maakte het mogelijk om voedsel te bereiden.
Ze maakten grotschilderingen en beeldjes van dieren en mensen.
Iemand zonder vaste woonplaats, die rondtrekt op zoek naar voedsel.
Voor het jagen, slachten van dieren en het bewerken van voedsel en huiden.
In bossen, steppes, savannes en langs rivieren.
Kinderen leerden van volwassenen door mee te helpen en te observeren.
Vooral infectieziekten door rauw voedsel en slechte hygiΓ«ne.
Ze gebruikten de zon, sterren en herkenningspunten in de natuur.
Gereedschap, naalden, sieraden en wapens.
Muziek werd gebruikt bij rituelen en om samen te werken.
Dieren zoals beren, bizons en adelaars hadden een speciale betekenis.
Voedsel werd eerlijk verdeeld binnen de groep.