Je leert en onthoudt de belangrijkste woorden bij het onderwerp 'schoonmaken en opruimen'.
[Opruimen]{.text-blue} is spullen terugleggen of wegzetten zodat een ruimte netjes wordt. *** Na het spelen gaan we de kamer [opruimen]{.text-blue}.
[Sorteren]{.text-blue} is dingen volgens kenmerken in verschillende groepen verdelen. *** Ik ga het afval op materiaal [sorteren]{.text-blue}.
[Weggooien]{.text-blue} is iets bij het afval doen omdat je het niet meer nodig hebt. *** Lege verpakkingen moet je in de juiste bak [weggooien]{.text-blue}.
[Afstoffen]{.text-blue} is stof met een doek of plumeau van oppervlakken verwijderen. *** Ik ga de kast en vensterbank [afstoffen]{.text-blue}.
[Stofzuigen]{.text-blue} is vuil en stof met een stofzuiger van een vloer of meubel verwijderen. *** Op zaterdag ga ik de woonkamer [stofzuigen]{.text-blue}.
[Vegen]{.text-blue} is vuil met een bezem bij elkaar of van een oppervlak verwijderen. *** Ik ga de kruimels van de keukenvloer [vegen]{.text-blue}.
[Dweilen]{.text-blue} is een vloer schoonmaken met een natte dweil of mop. *** Na het vegen ga ik de vloer [dweilen]{.text-blue}.
[Schrobben]{.text-blue} is hard heen en weer wrijven om vastzittend vuil te verwijderen. *** Met een borstel ga ik de tegels [schrobben]{.text-blue}.
[Afnemen]{.text-blue} bij het schoonmaken is een oppervlak met een doek schoonvegen. *** Met een vochtige doek ga ik de tafel [afnemen]{.text-blue}.
[Afwassen]{.text-blue} is gebruikt servies en bestek met water en afwasmiddel schoonmaken. *** Na het eten ga ik de borden [afwassen]{.text-blue}.
[Spoelen]{.text-blue} is iets met schoon water af- of doorspoelen. *** Na het inzepen ga ik de glazen [spoelen]{.text-blue}.
[Afdrogen]{.text-blue} bij de afwas is water met een doek van schoon servies verwijderen. *** Ik ga de schone kopjes [afdrogen]{.text-blue}.
[De was doen]{.text-blue} is kleding en ander textiel schoonmaken, meestal met een wasmachine. *** Vanavond ga ik [de was doen]{.text-blue}.
[Centrifugeren]{.text-blue} is wasgoed snel ronddraaien om er veel water uit te verwijderen. *** Na het wassen gaat de machine de kleding [centrifugeren]{.text-blue}.
[Wasgoed ophangen]{.text-blue} is nat textiel aan een lijn of rek hangen om het te laten drogen. *** Buiten ga ik het [wasgoed ophangen]{.text-blue}.
[Strijken]{.text-blue} is kreukels met een warm strijkijzer uit textiel halen. *** Voor morgen moet ik mijn overhemd [strijken]{.text-blue}.
[Het bed verschonen]{.text-blue} is gebruikt beddengoed vervangen door schoon beddengoed. *** Iedere week ga ik [het bed verschonen]{.text-blue}.
[De prullenbak legen]{.text-blue} is het verzamelde afval uit de bak halen. *** Als de zak vol is, ga ik [de prullenbak legen]{.text-blue}.
[Ontsmetten]{.text-blue} is schadelijke micro-organismen op een oppervlak sterk verminderen of doden. *** Na het schoonmaken ga ik de deurklink [ontsmetten]{.text-blue}.
[Luchten]{.text-blue} is ramen of deuren openen om frisse lucht binnen te laten. *** Iedere ochtend ga ik de slaapkamer [luchten]{.text-blue}.
Opruimen is spullen terugleggen of wegzetten zodat een ruimte netjes wordt.
Na het spelen gaan we de kamer opruimen.
Sorteren is dingen volgens kenmerken in verschillende groepen verdelen.
Ik ga het afval op materiaal sorteren.
Weggooien is iets bij het afval doen omdat je het niet meer nodig hebt.
Lege verpakkingen moet je in de juiste bak weggooien.
Afstoffen is stof met een doek of plumeau van oppervlakken verwijderen.
Ik ga de kast en vensterbank afstoffen.
Stofzuigen is vuil en stof met een stofzuiger van een vloer of meubel verwijderen.
Op zaterdag ga ik de woonkamer stofzuigen.
Vegen is vuil met een bezem bij elkaar of van een oppervlak verwijderen.
Ik ga de kruimels van de keukenvloer vegen.
Dweilen is een vloer schoonmaken met een natte dweil of mop.
Na het vegen ga ik de vloer dweilen.
Schrobben is hard heen en weer wrijven om vastzittend vuil te verwijderen.
Met een borstel ga ik de tegels schrobben.
Afnemen bij het schoonmaken is een oppervlak met een doek schoonvegen.
Met een vochtige doek ga ik de tafel afnemen.
Afwassen is gebruikt servies en bestek met water en afwasmiddel schoonmaken.
Na het eten ga ik de borden afwassen.
Spoelen is iets met schoon water af- of doorspoelen.
Na het inzepen ga ik de glazen spoelen.
Afdrogen bij de afwas is water met een doek van schoon servies verwijderen.
Ik ga de schone kopjes afdrogen.
De was doen is kleding en ander textiel schoonmaken, meestal met een wasmachine.
Vanavond ga ik de was doen.
Centrifugeren is wasgoed snel ronddraaien om er veel water uit te verwijderen.
Na het wassen gaat de machine de kleding centrifugeren.
Wasgoed ophangen is nat textiel aan een lijn of rek hangen om het te laten drogen.
Buiten ga ik het wasgoed ophangen.
Strijken is kreukels met een warm strijkijzer uit textiel halen.
Voor morgen moet ik mijn overhemd strijken.
Het bed verschonen is gebruikt beddengoed vervangen door schoon beddengoed.
Iedere week ga ik het bed verschonen.
De prullenbak legen is het verzamelde afval uit de bak halen.
Als de zak vol is, ga ik de prullenbak legen.
Ontsmetten is schadelijke micro-organismen op een oppervlak sterk verminderen of doden.
Na het schoonmaken ga ik de deurklink ontsmetten.
Luchten is ramen of deuren openen om frisse lucht binnen te laten.
Iedere ochtend ga ik de slaapkamer luchten.