⚠️
πŸ”

Problemen en opletten: spreekwoorden en gezegden

15 spreekwoorden en gezegden over fouten, problemen, pech en goed opletten. Met korte uitleg en herkenbare voorbeelden voor kinderen van ongeveer 10 jaar.

πŸ’‘
🚨

Betrapt worden als je iets doet wat niet mag. *** Hij dacht dat niemand het zag, maar hij [liep tegen de lamp]{.text-blue}.

Back
🧺
πŸ“‰

Duidelijk laten zien dat je niet eerlijk was of iets niet echt kon. *** Toen hij niets van het boek wist, [viel hij door de mand]{.text-blue}.

Back
πŸ””
⚠️

Om hulp vragen of waarschuwen dat er iets mis is. *** Toen het pesten doorging, trok de klas [aan de bel]{.text-blue} bij de juf.

Back
πŸ›
🚫

Iets goeds wegdoen omdat je van iets slechts af wilt. *** Gooi niet het hele plan weg door één fout; dan [gooi je het kind met het badwater weg]{.text-blue}.

Back
β›΅
πŸƒ

Te laat zijn voor een kans of afspraak. *** Omdat hij zich niet op tijd inschreef, [miste hij de boot]{.text-blue}.

Back
🐴
🎲

Vertrouwen op iets of iemand die uiteindelijk niet wint of niet klopt. *** Hij dacht dat dat team zou winnen, maar hij [wedde op het verkeerde paard]{.text-blue}.

Back
🀫
πŸ«™

Een fout expres geheimhouden. *** De kapotte vaas moest niet [in de doofpot worden gestopt]{.text-blue}; eerlijk vertellen was beter.

Back
πŸͺ΅
❌

Iets verkeerd begrijpen of een verkeerde opmerking maken. *** Hij dacht dat de toets morgen was, maar daarmee [sloeg hij de plank mis]{.text-blue}.

Back
πŸŒͺ️
πŸ₯›

Veel drukte om een klein probleem. *** Iedereen maakte zich zorgen om één vlekje, maar dat was [een storm in een glas water]{.text-blue}.

Back
πŸ”₯
🧯

Steeds kleine problemen snel oplossen. *** De juf was de hele ochtend [brandjes aan het blussen]{.text-blue}: ruzie hier, potlood kwijt daar.

Back
🧊
⚠️

Iets doen of zeggen dat riskant is. *** Als je zonder bewijs iemand beschuldigt, [begeef je je op glad ijs]{.text-blue}.

Back
🚲
πŸ›‘

Zorgen dat iets niet doorgaat of moeilijker wordt. *** De regen stak [een spaak in het wiel]{.text-blue}: het sportfeest werd uitgesteld.

Back
🍐
πŸ˜•

Met de vervelende gevolgen blijven zitten. *** Iedereen ging weg, en Sam zat [met de gebakken peren]{.text-blue}: hij moest alles opruimen.

Back
πŸ‡
πŸ˜’

Doen alsof je iets niet wilt, omdat je het niet kunt krijgen. *** Hij mocht niet meedoen en zei toen dat het spel stom was: [de druiven zijn zuur]{.text-blue}.

Back
🧹
🀫

Een probleem verbergen in plaats van het op te lossen. *** De ruzie moest besproken worden, niet [onder het tapijt geveegd]{.text-blue}.

Back