Je oefent breuken, verhoudingen en procenten als sommen.
1/2 van 20 = ...
10
1/4 van 28 = ...
7
2/3 van 24 = ...
16
3/4 van 40 = ...
30
1/5 van 35 = ...
2/5 van 50 = ...
20
3/10 van 100 = ...
1 op 4 van 20 = ...
5
2 van de 5 is ... van de 10
4
3 van de 6 is ... van de 12
6
10% van 80 = ...
8
25% van 60 = ...
15
50% van 90 = ...
45
75% van 40 = ...
20% van 150 = ...
5% van 200 = ...
1/2 = .../10
3/4 = .../100
75
2/10 = ...%
1/4 = ...%
25