Je leert en onthoudt de belangrijkste woorden bij het onderwerp 'naar school'.
Een [school]{.text-blue} is een plek waar leerlingen les krijgen en nieuwe dingen leren. *** Elke ochtend fiets ik naar [school]{.text-blue}.
Een [leerling]{.text-blue} is iemand die op school les krijgt. *** De [leerling]{.text-blue} luistert aandachtig naar de uitleg.
Een [leerkracht]{.text-blue} is iemand die leerlingen lesgeeft en helpt bij het leren. *** De [leerkracht]{.text-blue} legt de moeilijke som nog een keer uit.
Een [klaslokaal]{.text-blue} is een ruimte op school waar een klas les krijgt. *** Ons [klaslokaal]{.text-blue} staat op de eerste verdieping.
Een [schoolbord]{.text-blue} is een groot bord waarop de leerkracht schrijft of iets laat zien. *** De leerkracht schrijft de opdracht op het [schoolbord]{.text-blue}.
Een [lesrooster]{.text-blue} is een overzicht waarop staat welke lessen je op welk moment hebt. *** Op mijn [lesrooster]{.text-blue} staat dat we na de pauze rekenen hebben.
Een [schoolvak]{.text-blue} is een onderwerp waarin je les krijgt, zoals taal, rekenen of geschiedenis. *** Aardrijkskunde is mijn favoriete [schoolvak]{.text-blue}.
Een [instructie]{.text-blue} is een uitleg over wat je moet doen en hoe je dat doet. *** We luisteren eerst naar de [instructie]{.text-blue} van de leerkracht.
Een [opdracht]{.text-blue} is werk dat je van de leerkracht moet uitvoeren. *** Voor taal maken we een [opdracht]{.text-blue} over werkwoorden.
[Samenwerken]{.text-blue} is met andere mensen aan dezelfde taak werken. *** Wij gaan in groepjes [samenwerken]{.text-blue} aan een presentatie.
[Huiswerk]{.text-blue} is schoolwerk dat je thuis moet maken of leren. *** Na het eten maak ik mijn [huiswerk]{.text-blue} voor morgen.
Een [toets]{.text-blue} is een taak met vragen waarmee wordt bekeken wat je hebt geleerd. *** Vrijdag krijgen we een [toets]{.text-blue} over de tafels.
De [pauze]{.text-blue} is een korte tijd tussen de lessen waarin je kunt eten, drinken of spelen. *** In de [pauze]{.text-blue} eet ik mijn boterham en ga ik naar buiten.
Een [schoolplein]{.text-blue} is de buitenruimte bij een school waar leerlingen kunnen spelen. *** We voetballen in de pauze op het [schoolplein]{.text-blue}.
De [schoolbel]{.text-blue} is een geluid dat aangeeft dat een les of pauze begint of eindigt. *** Na de [schoolbel]{.text-blue} gaan alle leerlingen naar hun klas.
Een [schrift]{.text-blue} is een boekje met lege of gelinieerde bladzijden waarin je schrijft. *** Ik schrijf de antwoorden netjes in mijn [schrift]{.text-blue}.
Een [etui]{.text-blue} is een hoes of doosje waarin je pennen, potloden en andere schoolspullen bewaart. *** Mijn gum zit onder in mijn [etui]{.text-blue}.
Een [rapport]{.text-blue} is een overzicht van de resultaten en ontwikkeling van een leerling. *** Aan het einde van de periode krijg ik mijn [rapport]{.text-blue} mee naar huis.
Als je [afwezig]{.text-blue} bent, ben je niet op de plek waar je hoort te zijn. *** Noor is vandaag [afwezig]{.text-blue} omdat ze ziek is.
Een [schooldirecteur]{.text-blue} is de persoon die de leiding heeft over een school. *** De [schooldirecteur]{.text-blue} heet de nieuwe leerlingen welkom.
Een school is een plek waar leerlingen les krijgen en nieuwe dingen leren.
Elke ochtend fiets ik naar school.
Een leerling is iemand die op school les krijgt.
De leerling luistert aandachtig naar de uitleg.
Een leerkracht is iemand die leerlingen lesgeeft en helpt bij het leren.
De leerkracht legt de moeilijke som nog een keer uit.
Een klaslokaal is een ruimte op school waar een klas les krijgt.
Ons klaslokaal staat op de eerste verdieping.
Een schoolbord is een groot bord waarop de leerkracht schrijft of iets laat zien.
De leerkracht schrijft de opdracht op het schoolbord.
Een lesrooster is een overzicht waarop staat welke lessen je op welk moment hebt.
Op mijn lesrooster staat dat we na de pauze rekenen hebben.
Een schoolvak is een onderwerp waarin je les krijgt, zoals taal, rekenen of geschiedenis.
Aardrijkskunde is mijn favoriete schoolvak.
Een instructie is een uitleg over wat je moet doen en hoe je dat doet.
We luisteren eerst naar de instructie van de leerkracht.
Een opdracht is werk dat je van de leerkracht moet uitvoeren.
Voor taal maken we een opdracht over werkwoorden.
Samenwerken is met andere mensen aan dezelfde taak werken.
Wij gaan in groepjes samenwerken aan een presentatie.
Huiswerk is schoolwerk dat je thuis moet maken of leren.
Na het eten maak ik mijn huiswerk voor morgen.
Een toets is een taak met vragen waarmee wordt bekeken wat je hebt geleerd.
Vrijdag krijgen we een toets over de tafels.
De pauze is een korte tijd tussen de lessen waarin je kunt eten, drinken of spelen.
In de pauze eet ik mijn boterham en ga ik naar buiten.
Een schoolplein is de buitenruimte bij een school waar leerlingen kunnen spelen.
We voetballen in de pauze op het schoolplein.
De schoolbel is een geluid dat aangeeft dat een les of pauze begint of eindigt.
Na de schoolbel gaan alle leerlingen naar hun klas.
Een schrift is een boekje met lege of gelinieerde bladzijden waarin je schrijft.
Ik schrijf de antwoorden netjes in mijn schrift.
Een etui is een hoes of doosje waarin je pennen, potloden en andere schoolspullen bewaart.
Mijn gum zit onder in mijn etui.
Een rapport is een overzicht van de resultaten en ontwikkeling van een leerling.
Aan het einde van de periode krijg ik mijn rapport mee naar huis.
Als je afwezig bent, ben je niet op de plek waar je hoort te zijn.
Noor is vandaag afwezig omdat ze ziek is.
Een schooldirecteur is de persoon die de leiding heeft over een school.
De schooldirecteur heet de nieuwe leerlingen welkom.