Je leert en onthoudt de belangrijkste woorden bij het onderwerp 'naar het treinstation'.
Een [treinstation]{.text-blue} is een plek waar treinen stoppen en reizigers kunnen in- en uitstappen. *** Op het [treinstation]{.text-blue} zoeken we het juiste perron.
Een [stationshal]{.text-blue} is de centrale binnenruimte van een station. *** We spreken af onder de klok in de [stationshal]{.text-blue}.
Een [perron]{.text-blue} is een verhoogde strook langs het spoor waar reizigers op de trein wachten. *** De trein naar Utrecht vertrekt vanaf [perron]{.text-blue} vijf.
Een [spoor]{.text-blue} bestaat uit rails waarover een trein rijdt. *** Onze trein staat al klaar langs het juiste [spoor]{.text-blue}.
Een [dienstregeling]{.text-blue} is een overzicht van de tijden waarop treinen rijden. *** Ik controleer in de [dienstregeling]{.text-blue} hoe laat de laatste trein vertrekt.
De [vertrektijd]{.text-blue} is het tijdstip waarop een trein volgens de planning weggaat. *** De [vertrektijd]{.text-blue} van onze trein is 14.26 uur.
De [aankomsttijd]{.text-blue} is het tijdstip waarop een trein volgens de planning aankomt. *** Op het scherm staat een [aankomsttijd]{.text-blue} van 15.10 uur.
Een [treinkaartje]{.text-blue} is een bewijs dat je voor een treinreis hebt betaald. *** Voor vertrek koop ik online een [treinkaartje]{.text-blue}.
Een [kaartautomaat]{.text-blue} is een apparaat waarmee je een vervoerbewijs kunt kopen of een reiskaart kunt laden. *** Bij de [kaartautomaat]{.text-blue} laad ik geld op mijn kaart.
[Inchecken]{.text-blue} is aan het begin van een reis je vervoerbewijs bij een poortje of paal registreren. *** Voor ik naar het perron ga, moet ik [inchecken]{.text-blue}.
[Uitchecken]{.text-blue} is aan het einde van een reis je vervoerbewijs opnieuw registreren. *** Na aankomst vergeet ik niet om bij het poortje [uit te checken]{.text-blue}.
Een [OV-chipkaart]{.text-blue} is een kaart waarmee je in Nederland in het openbaar vervoer kunt reizen. *** Ik houd mijn [OV-chipkaart]{.text-blue} tegen de kaartlezer.
Een [reiziger]{.text-blue} is iemand die onderweg is van de ene plaats naar de andere. *** Iedere [reiziger]{.text-blue} zoekt een zitplaats in de trein.
Een [conducteur]{.text-blue} is een treinmedewerker die reizigers helpt en vervoerbewijzen controleert. *** De [conducteur]{.text-blue} controleert mijn kaartje.
Een [machinist]{.text-blue} is de persoon die een trein bestuurt. *** De [machinist]{.text-blue} laat de trein rustig uit het station vertrekken.
[Overstappen]{.text-blue} is tijdens een reis van de ene trein naar een andere trein gaan. *** In Amersfoort moeten we [overstappen]{.text-blue} op de trein naar Zwolle.
Een [vertraging]{.text-blue} betekent dat een trein later vertrekt of aankomt dan gepland. *** Door een storing heeft onze trein tien minuten [vertraging]{.text-blue}.
Een [intercity]{.text-blue} is een trein die vooral tussen grotere plaatsen rijdt en niet op elk station stopt. *** Met de [intercity]{.text-blue} reizen we rechtstreeks naar Rotterdam.
Een [sprinter]{.text-blue} is een trein die op veel kleinere en grotere stations stopt. *** De [sprinter]{.text-blue} stopt bij elk station op deze route.
[Omroepen]{.text-blue} is informatie via luidsprekers aan veel mensen tegelijk bekendmaken. *** Een medewerker gaat de spoorwijziging [omroepen]{.text-blue}.
Een treinstation is een plek waar treinen stoppen en reizigers kunnen in- en uitstappen.
Op het treinstation zoeken we het juiste perron.
Een stationshal is de centrale binnenruimte van een station.
We spreken af onder de klok in de stationshal.
Een perron is een verhoogde strook langs het spoor waar reizigers op de trein wachten.
De trein naar Utrecht vertrekt vanaf perron vijf.
Een spoor bestaat uit rails waarover een trein rijdt.
Onze trein staat al klaar langs het juiste spoor.
Een dienstregeling is een overzicht van de tijden waarop treinen rijden.
Ik controleer in de dienstregeling hoe laat de laatste trein vertrekt.
De vertrektijd is het tijdstip waarop een trein volgens de planning weggaat.
De vertrektijd van onze trein is 14.26 uur.
De aankomsttijd is het tijdstip waarop een trein volgens de planning aankomt.
Op het scherm staat een aankomsttijd van 15.10 uur.
Een treinkaartje is een bewijs dat je voor een treinreis hebt betaald.
Voor vertrek koop ik online een treinkaartje.
Een kaartautomaat is een apparaat waarmee je een vervoerbewijs kunt kopen of een reiskaart kunt laden.
Bij de kaartautomaat laad ik geld op mijn kaart.
Inchecken is aan het begin van een reis je vervoerbewijs bij een poortje of paal registreren.
Voor ik naar het perron ga, moet ik inchecken.
Uitchecken is aan het einde van een reis je vervoerbewijs opnieuw registreren.
Na aankomst vergeet ik niet om bij het poortje uit te checken.
Een OV-chipkaart is een kaart waarmee je in Nederland in het openbaar vervoer kunt reizen.
Ik houd mijn OV-chipkaart tegen de kaartlezer.
Een reiziger is iemand die onderweg is van de ene plaats naar de andere.
Iedere reiziger zoekt een zitplaats in de trein.
Een conducteur is een treinmedewerker die reizigers helpt en vervoerbewijzen controleert.
De conducteur controleert mijn kaartje.
Een machinist is de persoon die een trein bestuurt.
De machinist laat de trein rustig uit het station vertrekken.
Overstappen is tijdens een reis van de ene trein naar een andere trein gaan.
In Amersfoort moeten we overstappen op de trein naar Zwolle.
Een vertraging betekent dat een trein later vertrekt of aankomt dan gepland.
Door een storing heeft onze trein tien minuten vertraging.
Een intercity is een trein die vooral tussen grotere plaatsen rijdt en niet op elk station stopt.
Met de intercity reizen we rechtstreeks naar Rotterdam.
Een sprinter is een trein die op veel kleinere en grotere stations stopt.
De sprinter stopt bij elk station op deze route.
Omroepen is informatie via luidsprekers aan veel mensen tegelijk bekendmaken.
Een medewerker gaat de spoorwijziging omroepen.