Je leert en onthoudt de belangrijkste woorden bij het onderwerp 'naar de markt'.
Een [markt]{.text-blue} is een plek waar verkopers op vaste dagen producten vanuit kramen verkopen. *** Elke zaterdag kopen we groente op de [markt]{.text-blue}.
Een [marktkraam]{.text-blue} is een verkooptafel met een overkapping waarop producten worden aangeboden. *** De aardbeien liggen vooraan in de [marktkraam]{.text-blue}.
Een [marktkoopman]{.text-blue} is iemand die producten op een markt verkoopt. *** De [marktkoopman]{.text-blue} vertelt welke appels het zoetst zijn.
Een [marktplein]{.text-blue} is een open plek in een dorp of stad waar vaak een markt wordt gehouden. *** Op woensdag staan er tientallen kramen op het [marktplein]{.text-blue}.
[Koopwaar]{.text-blue} bestaat uit producten die bestemd zijn om verkocht te worden. *** De verkoper legt zijn [koopwaar]{.text-blue} netjes in de kraam.
Een [standplaats]{.text-blue} is de vaste of toegewezen plek waar een verkoper zijn kraam mag neerzetten. *** De bloemenverkoper heeft een [standplaats]{.text-blue} bij de ingang.
Een [marktmeester]{.text-blue} is iemand die toezicht houdt op de organisatie en regels van een markt. *** De [marktmeester]{.text-blue} wijst de verkopers hun plaatsen aan.
[Vers]{.text-blue} betekent dat voedsel kort geleden is geoogst, gemaakt of bereid. *** Op de markt kopen we [vers]{.text-blue} brood en groente.
[Wegen]{.text-blue} is met een weegschaal bepalen hoe zwaar iets is. *** De verkoper gaat de appels [wegen]{.text-blue}.
Een [weegschaal]{.text-blue} is een apparaat waarmee je het gewicht van iets meet. *** De marktkoopman legt de tomaten op de [weegschaal]{.text-blue}.
Een [kilogram]{.text-blue} is een eenheid van gewicht die gelijk is aan duizend gram. *** Ik koop een [kilogram]{.text-blue} appels.
Een [gram]{.text-blue} is een kleine eenheid waarmee gewicht wordt gemeten. *** De klant bestelt tweehonderd [gram]{.text-blue} kaas.
Een [stukprijs]{.text-blue} is de prijs die je voor รฉรฉn afzonderlijk product betaalt. *** De [stukprijs]{.text-blue} van een ananas is twee euro.
[Afdingen]{.text-blue} is met een verkoper onderhandelen om een lagere prijs te krijgen. *** Bij deze kraam probeert een klant op de prijs [af te dingen]{.text-blue}.
[Contant betalen]{.text-blue} is betalen met munten en bankbiljetten. *** Bij deze marktkraam kun je alleen [contant betalen]{.text-blue}.
[Wisselgeld]{.text-blue} is het geld dat je terugkrijgt wanneer je meer betaalt dan het bedrag dat iets kost. *** De verkoper geeft mij drie euro [wisselgeld]{.text-blue}.
[Proeven]{.text-blue} is een klein beetje eten of drinken om de smaak te beoordelen. *** Bij de kaaskraam mag ik een stukje jonge kaas [proeven]{.text-blue}.
Een [seizoensproduct]{.text-blue} is een product dat vooral in een bepaalde tijd van het jaar verkrijgbaar is. *** Aardbeien zijn in de zomer een populair [seizoensproduct]{.text-blue}.
Een [uitstalling]{.text-blue} is de manier waarop producten zichtbaar worden neergezet om ze te verkopen. *** De kleurrijke [uitstalling]{.text-blue} met bloemen trekt veel aandacht.
[Uitverkocht]{.text-blue} betekent dat alle exemplaren van een product zijn verkocht en er niets meer over is. *** Aan het einde van de dag zijn de aardbeien [uitverkocht]{.text-blue}.
Een markt is een plek waar verkopers op vaste dagen producten vanuit kramen verkopen.
Elke zaterdag kopen we groente op de markt.
Een marktkraam is een verkooptafel met een overkapping waarop producten worden aangeboden.
De aardbeien liggen vooraan in de marktkraam.
Een marktkoopman is iemand die producten op een markt verkoopt.
De marktkoopman vertelt welke appels het zoetst zijn.
Een marktplein is een open plek in een dorp of stad waar vaak een markt wordt gehouden.
Op woensdag staan er tientallen kramen op het marktplein.
Koopwaar bestaat uit producten die bestemd zijn om verkocht te worden.
De verkoper legt zijn koopwaar netjes in de kraam.
Een standplaats is de vaste of toegewezen plek waar een verkoper zijn kraam mag neerzetten.
De bloemenverkoper heeft een standplaats bij de ingang.
Een marktmeester is iemand die toezicht houdt op de organisatie en regels van een markt.
De marktmeester wijst de verkopers hun plaatsen aan.
Vers betekent dat voedsel kort geleden is geoogst, gemaakt of bereid.
Op de markt kopen we vers brood en groente.
Wegen is met een weegschaal bepalen hoe zwaar iets is.
De verkoper gaat de appels wegen.
Een weegschaal is een apparaat waarmee je het gewicht van iets meet.
De marktkoopman legt de tomaten op de weegschaal.
Een kilogram is een eenheid van gewicht die gelijk is aan duizend gram.
Ik koop een kilogram appels.
Een gram is een kleine eenheid waarmee gewicht wordt gemeten.
De klant bestelt tweehonderd gram kaas.
Een stukprijs is de prijs die je voor รฉรฉn afzonderlijk product betaalt.
De stukprijs van een ananas is twee euro.
Afdingen is met een verkoper onderhandelen om een lagere prijs te krijgen.
Bij deze kraam probeert een klant op de prijs af te dingen.
Contant betalen is betalen met munten en bankbiljetten.
Bij deze marktkraam kun je alleen contant betalen.
Wisselgeld is het geld dat je terugkrijgt wanneer je meer betaalt dan het bedrag dat iets kost.
De verkoper geeft mij drie euro wisselgeld.
Proeven is een klein beetje eten of drinken om de smaak te beoordelen.
Bij de kaaskraam mag ik een stukje jonge kaas proeven.
Een seizoensproduct is een product dat vooral in een bepaalde tijd van het jaar verkrijgbaar is.
Aardbeien zijn in de zomer een populair seizoensproduct.
Een uitstalling is de manier waarop producten zichtbaar worden neergezet om ze te verkopen.
De kleurrijke uitstalling met bloemen trekt veel aandacht.
Uitverkocht betekent dat alle exemplaren van een product zijn verkocht en er niets meer over is.
Aan het einde van de dag zijn de aardbeien uitverkocht.