Je leert en onthoudt de belangrijkste woorden bij het onderwerp 'naar de luchthaven'.
Een [luchthaven]{.text-blue} is een plek waar vliegtuigen vertrekken en aankomen en reizigers hun vlucht beginnen of eindigen. *** We zijn drie uur voor vertrek op de [luchthaven]{.text-blue}.
Een [vertrekhal]{.text-blue} is het deel van een luchthaven waar vertrekkende reizigers inchecken. *** In de [vertrekhal]{.text-blue} zoeken we de juiste incheckbalie.
Een [aankomsthal]{.text-blue} is het deel van een luchthaven waar aangekomen reizigers naar buiten komen. *** Mijn familie wacht op mij in de [aankomsthal]{.text-blue}.
Een [vlucht]{.text-blue} is een reis met een vliegtuig van de ene luchthaven naar de andere. *** Onze [vlucht]{.text-blue} naar Rome duurt ongeveer twee uur.
Een [vliegticket]{.text-blue} is het bewijs dat je een vliegreis hebt geboekt en betaald. *** De gegevens van mijn [vliegticket]{.text-blue} staan in de reisapp.
Een [incheckbalie]{.text-blue} is een balie waar je je voor een vlucht aanmeldt en ruimbagage afgeeft. *** Bij de [incheckbalie]{.text-blue} wordt mijn koffer gewogen.
Een [instapkaart]{.text-blue} is het document waarmee je door de controle gaat en het vliegtuig in mag. *** Bij de gate laat ik mijn [instapkaart]{.text-blue} scannen.
[Bagage]{.text-blue} bestaat uit de koffers en tassen die je tijdens een reis meeneemt. *** Op het label van mijn [bagage]{.text-blue} staat mijn naam.
[Handbagage]{.text-blue} is de kleine tas die je zelf meeneemt in de cabine van het vliegtuig. *** Mijn paspoort en telefoon zitten in mijn [handbagage]{.text-blue}.
Een [bagageband]{.text-blue} is een bewegende band waarop koffers na een vlucht worden aangevoerd. *** Na de landing wacht ik bij de [bagageband]{.text-blue} op mijn koffer.
De [paspoortcontrole]{.text-blue} is de controle waarbij wordt nagegaan wie je bent en of je een land in of uit mag reizen. *** Bij de [paspoortcontrole]{.text-blue} laat ik mijn paspoort zien.
De [douane]{.text-blue} controleert goederen en bagage die een land binnenkomen of verlaten. *** Na het ophalen van de koffers lopen we door de [douane]{.text-blue}.
De [veiligheidscontrole]{.text-blue} is de controle van reizigers en handbagage voordat zij naar de gates gaan. *** Bij de [veiligheidscontrole]{.text-blue} leg ik mijn tas in een bak.
Een [gate]{.text-blue} is de plek op een luchthaven waar reizigers wachten en aan boord gaan. *** Op het scherm staat dat onze [gate]{.text-blue} is gewijzigd.
[Boarden]{.text-blue} is het instappen van reizigers in een vliegtuig. *** We mogen als eerste groep [boarden]{.text-blue}.
Een [startbaan]{.text-blue} is een lange, verharde strook waarop vliegtuigen opstijgen en landen. *** Het vliegtuig rijdt langzaam naar de [startbaan]{.text-blue}.
Een [piloot]{.text-blue} is iemand die een vliegtuig bestuurt. *** De [piloot]{.text-blue} heet de passagiers welkom aan boord.
Het [cabinepersoneel]{.text-blue} bestaat uit medewerkers die tijdens een vlucht voor de veiligheid en service in de cabine zorgen. *** Het [cabinepersoneel]{.text-blue} legt uit waar de nooduitgangen zijn.
[Opstijgen]{.text-blue} is het moment waarop een vliegtuig de grond verlaat en de lucht in gaat. *** Tijdens het [opstijgen]{.text-blue} moet mijn gordel vastzitten.
[Landen]{.text-blue} is met een vliegtuig vanuit de lucht veilig op de grond komen. *** Over twintig minuten zal het vliegtuig [landen]{.text-blue}.
Een luchthaven is een plek waar vliegtuigen vertrekken en aankomen en reizigers hun vlucht beginnen of eindigen.
We zijn drie uur voor vertrek op de luchthaven.
Een vertrekhal is het deel van een luchthaven waar vertrekkende reizigers inchecken.
In de vertrekhal zoeken we de juiste incheckbalie.
Een aankomsthal is het deel van een luchthaven waar aangekomen reizigers naar buiten komen.
Mijn familie wacht op mij in de aankomsthal.
Een vlucht is een reis met een vliegtuig van de ene luchthaven naar de andere.
Onze vlucht naar Rome duurt ongeveer twee uur.
Een vliegticket is het bewijs dat je een vliegreis hebt geboekt en betaald.
De gegevens van mijn vliegticket staan in de reisapp.
Een incheckbalie is een balie waar je je voor een vlucht aanmeldt en ruimbagage afgeeft.
Bij de incheckbalie wordt mijn koffer gewogen.
Een instapkaart is het document waarmee je door de controle gaat en het vliegtuig in mag.
Bij de gate laat ik mijn instapkaart scannen.
Bagage bestaat uit de koffers en tassen die je tijdens een reis meeneemt.
Op het label van mijn bagage staat mijn naam.
Handbagage is de kleine tas die je zelf meeneemt in de cabine van het vliegtuig.
Mijn paspoort en telefoon zitten in mijn handbagage.
Een bagageband is een bewegende band waarop koffers na een vlucht worden aangevoerd.
Na de landing wacht ik bij de bagageband op mijn koffer.
De paspoortcontrole is de controle waarbij wordt nagegaan wie je bent en of je een land in of uit mag reizen.
Bij de paspoortcontrole laat ik mijn paspoort zien.
De douane controleert goederen en bagage die een land binnenkomen of verlaten.
Na het ophalen van de koffers lopen we door de douane.
De veiligheidscontrole is de controle van reizigers en handbagage voordat zij naar de gates gaan.
Bij de veiligheidscontrole leg ik mijn tas in een bak.
Een gate is de plek op een luchthaven waar reizigers wachten en aan boord gaan.
Op het scherm staat dat onze gate is gewijzigd.
Boarden is het instappen van reizigers in een vliegtuig.
We mogen als eerste groep boarden.
Een startbaan is een lange, verharde strook waarop vliegtuigen opstijgen en landen.
Het vliegtuig rijdt langzaam naar de startbaan.
Een piloot is iemand die een vliegtuig bestuurt.
De piloot heet de passagiers welkom aan boord.
Het cabinepersoneel bestaat uit medewerkers die tijdens een vlucht voor de veiligheid en service in de cabine zorgen.
Het cabinepersoneel legt uit waar de nooduitgangen zijn.
Opstijgen is het moment waarop een vliegtuig de grond verlaat en de lucht in gaat.
Tijdens het opstijgen moet mijn gordel vastzitten.
Landen is met een vliegtuig vanuit de lucht veilig op de grond komen.
Over twintig minuten zal het vliegtuig landen.