Je leert en onthoudt de belangrijkste woorden bij het onderwerp 'maken en repareren'.
[Meten]{.text-blue} is met een meetinstrument bepalen hoe lang, groot, zwaar of ruim iets is. *** Voor ik ga zagen, moet ik de plank [meten]{.text-blue}.
[Aftekenen]{.text-blue} is met een lijn of teken aangeven waar je moet snijden, boren of monteren. *** Met een potlood ga ik de juiste lengte [aftekenen]{.text-blue}.
[Zagen]{.text-blue} is materiaal met een getand gereedschap doorsnijden. *** Ik ga de houten plank op maat [zagen]{.text-blue}.
[Boren]{.text-blue} is met een boor een rond gat in materiaal maken. *** Voor de schroef moet ik eerst een klein gat [boren]{.text-blue}.
[Schuren]{.text-blue} is een oppervlak met schuurmateriaal gladder of ruwer maken. *** Voor het schilderen ga ik het hout [schuren]{.text-blue}.
[Timmeren]{.text-blue} is houten onderdelen met gereedschap bewerken en samenvoegen. *** In de werkplaats gaan we een vogelhuisje [timmeren]{.text-blue}.
[Schroeven]{.text-blue} is onderdelen met schroeven en een schroevendraaier of machine vastzetten. *** Ik ga de plank stevig aan de muur [schroeven]{.text-blue}.
[Lijmen]{.text-blue} is onderdelen met een kleefmiddel aan elkaar bevestigen. *** De losse stukken ga ik weer aan elkaar [lijmen]{.text-blue}.
[Solderen]{.text-blue} is metalen onderdelen met gesmolten soldeermateriaal aan elkaar verbinden. *** De monteur gaat de losse draad [solderen]{.text-blue}.
[Schilderen]{.text-blue} is verf met een kwast of roller op een oppervlak aanbrengen. *** We gaan de kast blauw [schilderen]{.text-blue}.
[Monteren]{.text-blue} is losse onderdelen volgens een plan tot een geheel samenbouwen. *** Met de handleiding ga ik de kast [monteren]{.text-blue}.
[Demonteren]{.text-blue} is een voorwerp uit elkaar halen in losse onderdelen. *** Voor de verhuizing gaan we de tafel [demonteren]{.text-blue}.
[Vastzetten]{.text-blue} is iets zo bevestigen dat het niet meer los of verschuifbaar is. *** Met twee bouten ga ik de beugel [vastzetten]{.text-blue}.
[Losmaken]{.text-blue} is een verbinding openen of ervoor zorgen dat iets niet meer vastzit. *** Met een tang ga ik de strakke moer [losmaken]{.text-blue}.
[Vervangen]{.text-blue} is iets weghalen en er iets anders voor in de plaats zetten. *** De kapotte lamp moet ik [vervangen]{.text-blue}.
[Repareren]{.text-blue} is een kapot of beschadigd voorwerp weer bruikbaar maken. *** De fietsenmaker gaat mijn lekke band [repareren]{.text-blue}.
[Testen]{.text-blue} is uitproberen of iets veilig en goed werkt. *** Na de reparatie ga ik het apparaat [testen]{.text-blue}.
[Afstellen]{.text-blue} is een onderdeel nauwkeurig instellen zodat het goed werkt. *** De monteur gaat de remmen van mijn fiets [afstellen]{.text-blue}.
[Onderhouden]{.text-blue} is regelmatig verzorgen en controleren om iets in goede staat te houden. *** Door de ketting te smeren kan ik mijn fiets goed [onderhouden]{.text-blue}.
[Gereedschap opruimen]{.text-blue} is hulpmiddelen na gebruik schoon en op hun vaste plek terugleggen. *** Na de klus ga ik al het [gereedschap opruimen]{.text-blue}.
Meten is met een meetinstrument bepalen hoe lang, groot, zwaar of ruim iets is.
Voor ik ga zagen, moet ik de plank meten.
Aftekenen is met een lijn of teken aangeven waar je moet snijden, boren of monteren.
Met een potlood ga ik de juiste lengte aftekenen.
Zagen is materiaal met een getand gereedschap doorsnijden.
Ik ga de houten plank op maat zagen.
Boren is met een boor een rond gat in materiaal maken.
Voor de schroef moet ik eerst een klein gat boren.
Schuren is een oppervlak met schuurmateriaal gladder of ruwer maken.
Voor het schilderen ga ik het hout schuren.
Timmeren is houten onderdelen met gereedschap bewerken en samenvoegen.
In de werkplaats gaan we een vogelhuisje timmeren.
Schroeven is onderdelen met schroeven en een schroevendraaier of machine vastzetten.
Ik ga de plank stevig aan de muur schroeven.
Lijmen is onderdelen met een kleefmiddel aan elkaar bevestigen.
De losse stukken ga ik weer aan elkaar lijmen.
Solderen is metalen onderdelen met gesmolten soldeermateriaal aan elkaar verbinden.
De monteur gaat de losse draad solderen.
Schilderen is verf met een kwast of roller op een oppervlak aanbrengen.
We gaan de kast blauw schilderen.
Monteren is losse onderdelen volgens een plan tot een geheel samenbouwen.
Met de handleiding ga ik de kast monteren.
Demonteren is een voorwerp uit elkaar halen in losse onderdelen.
Voor de verhuizing gaan we de tafel demonteren.
Vastzetten is iets zo bevestigen dat het niet meer los of verschuifbaar is.
Met twee bouten ga ik de beugel vastzetten.
Losmaken is een verbinding openen of ervoor zorgen dat iets niet meer vastzit.
Met een tang ga ik de strakke moer losmaken.
Vervangen is iets weghalen en er iets anders voor in de plaats zetten.
De kapotte lamp moet ik vervangen.
Repareren is een kapot of beschadigd voorwerp weer bruikbaar maken.
De fietsenmaker gaat mijn lekke band repareren.
Testen is uitproberen of iets veilig en goed werkt.
Na de reparatie ga ik het apparaat testen.
Afstellen is een onderdeel nauwkeurig instellen zodat het goed werkt.
De monteur gaat de remmen van mijn fiets afstellen.
Onderhouden is regelmatig verzorgen en controleren om iets in goede staat te houden.
Door de ketting te smeren kan ik mijn fiets goed onderhouden.
Gereedschap opruimen is hulpmiddelen na gebruik schoon en op hun vaste plek terugleggen.
Na de klus ga ik al het gereedschap opruimen.