Je leert en onthoudt de belangrijkste woorden bij het onderwerp 'koken en bakken'.
[Wassen]{.text-blue} bij het koken is vuil van ingrediënten verwijderen met water. *** Voor de salade ga ik de tomaten [wassen]{.text-blue}.
[Schillen]{.text-blue} is de buitenste laag van groente of fruit verwijderen. *** Voor de puree moet ik de aardappelen [schillen]{.text-blue}.
[Snijden]{.text-blue} is voedsel met een mes in stukken verdelen. *** Ik ga de wortel in dunne plakjes [snijden]{.text-blue}.
[Hakken]{.text-blue} is voedsel met snelle snijbewegingen in kleine stukken verdelen. *** Voor de saus ga ik de ui fijn [hakken]{.text-blue}.
[Raspen]{.text-blue} is voedsel langs een scherp oppervlak halen om kleine stukjes te maken. *** Over de pasta ga ik kaas [raspen]{.text-blue}.
[Wegen]{.text-blue} bij het koken is met een weegschaal bepalen hoeveel een ingrediënt weegt. *** Voor het recept moet ik tweehonderd gram bloem [wegen]{.text-blue}.
[Afmeten]{.text-blue} is precies bepalen hoeveel je van een ingrediënt nodig hebt. *** Met een maatbeker ga ik de melk [afmeten]{.text-blue}.
[Mengen]{.text-blue} is verschillende ingrediënten door elkaar doen. *** Ik ga de bloem en suiker goed [mengen]{.text-blue}.
[Roeren]{.text-blue} is met een lepel of garde rondgaande bewegingen door voedsel maken. *** Blijf in de soep [roeren]{.text-blue} zodat die niet aanbrandt.
[Kloppen]{.text-blue} is een vloeibaar mengsel snel bewegen om het luchtig of glad te maken. *** Voor de omelet ga ik de eieren [kloppen]{.text-blue}.
[Kneden]{.text-blue} is deeg stevig met je handen drukken, vouwen en draaien. *** Ik moet het brooddeeg tien minuten [kneden]{.text-blue}.
[Uitrollen]{.text-blue} is deeg met een deegroller plat en dun maken. *** Voor de taart ga ik het deeg [uitrollen]{.text-blue}.
[Koken]{.text-blue} is voedsel bereiden door het te verhitten, vaak in heet water. *** De aardappelen moeten twintig minuten [koken]{.text-blue}.
[Bakken]{.text-blue} is voedsel gaar en vaak bruin maken in een pan of oven. *** We gaan een cake in de oven [bakken]{.text-blue}.
[Braden]{.text-blue} is vlees of ander voedsel rondom bruin en gaar maken met vet en hitte. *** De kok gaat het vlees langzaam [braden]{.text-blue}.
[Stomen]{.text-blue} is voedsel gaar maken met hete waterdamp. *** Ik ga de broccoli kort [stomen]{.text-blue}.
[Voorverwarmen]{.text-blue} is een oven vooraf op de gewenste temperatuur brengen. *** Voor het bakken moet ik de oven [voorverwarmen]{.text-blue}.
[Kruiden]{.text-blue} is smaakmakers aan eten toevoegen. *** Met peper en tijm ga ik de saus [kruiden]{.text-blue}.
[Proeven]{.text-blue} is een klein beetje eten of drinken om de smaak te beoordelen. *** Ik ga de soep [proeven]{.text-blue} voordat ik zout toevoeg.
[Opdienen]{.text-blue} is bereid eten op tafel zetten of aan iemand geven. *** We gaan het hoofdgerecht warm [opdienen]{.text-blue}.
Wassen bij het koken is vuil van ingrediënten verwijderen met water.
Voor de salade ga ik de tomaten wassen.
Schillen is de buitenste laag van groente of fruit verwijderen.
Voor de puree moet ik de aardappelen schillen.
Snijden is voedsel met een mes in stukken verdelen.
Ik ga de wortel in dunne plakjes snijden.
Hakken is voedsel met snelle snijbewegingen in kleine stukken verdelen.
Voor de saus ga ik de ui fijn hakken.
Raspen is voedsel langs een scherp oppervlak halen om kleine stukjes te maken.
Over de pasta ga ik kaas raspen.
Wegen bij het koken is met een weegschaal bepalen hoeveel een ingrediënt weegt.
Voor het recept moet ik tweehonderd gram bloem wegen.
Afmeten is precies bepalen hoeveel je van een ingrediënt nodig hebt.
Met een maatbeker ga ik de melk afmeten.
Mengen is verschillende ingrediënten door elkaar doen.
Ik ga de bloem en suiker goed mengen.
Roeren is met een lepel of garde rondgaande bewegingen door voedsel maken.
Blijf in de soep roeren zodat die niet aanbrandt.
Kloppen is een vloeibaar mengsel snel bewegen om het luchtig of glad te maken.
Voor de omelet ga ik de eieren kloppen.
Kneden is deeg stevig met je handen drukken, vouwen en draaien.
Ik moet het brooddeeg tien minuten kneden.
Uitrollen is deeg met een deegroller plat en dun maken.
Voor de taart ga ik het deeg uitrollen.
Koken is voedsel bereiden door het te verhitten, vaak in heet water.
De aardappelen moeten twintig minuten koken.
Bakken is voedsel gaar en vaak bruin maken in een pan of oven.
We gaan een cake in de oven bakken.
Braden is vlees of ander voedsel rondom bruin en gaar maken met vet en hitte.
De kok gaat het vlees langzaam braden.
Stomen is voedsel gaar maken met hete waterdamp.
Ik ga de broccoli kort stomen.
Voorverwarmen is een oven vooraf op de gewenste temperatuur brengen.
Voor het bakken moet ik de oven voorverwarmen.
Kruiden is smaakmakers aan eten toevoegen.
Met peper en tijm ga ik de saus kruiden.
Proeven is een klein beetje eten of drinken om de smaak te beoordelen.
Ik ga de soep proeven voordat ik zout toevoeg.
Opdienen is bereid eten op tafel zetten of aan iemand geven.
We gaan het hoofdgerecht warm opdienen.