Leer en onthoud met 15 compacte kaarten hoe markten en overheden samenwerken en botsen: marktwerking, publieke goederen, externaliteiten, monopolie en regulering.
Een economie met privébezit, markten en winstprikkels. Bedrijven beslissen veel over productie.
Prijs en aanbod ontstaan door vraag en aanbod. Concurrentie kan efficiëntie stimuleren.
Iets waar iedereen van profiteert en moeilijk van uit te sluiten is. Denk aan dijken of schone lucht.
Een gevolg van productie of consumptie voor anderen. Vervuiling is een klassiek negatief voorbeeld.
Eén aanbieder heeft vrijwel alle marktmacht. Dat kan prijzen verhogen en innovatie remmen.
Om misbruik, schade en oneerlijke concurrentie te beperken. Regels corrigeren marktfalen.
Taken of bedrijven gaan van overheid naar markt. Dat kan efficiëntie brengen, maar ook publieke zorgen.
Een staat die burgers beschermt tegen risico’s als ziekte, werkloosheid en ouderdom.
Als de markt geen goede uitkomst oplevert. Denk aan vervuiling, monopolies of informatieproblemen.
Als beleid onbedoeld slecht uitpakt. Bureaucratie, verkeerde prikkels of slechte informatie spelen mee.
Concurrentie kan prijzen verlagen en kwaliteit verhogen. Zonder regels kan ze ook schadelijk worden.
De ene partij weet meer dan de andere. Daardoor kunnen slechte keuzes of misbruik ontstaan.
Ze geven duidelijkheid over bezit en gebruik. Zonder eigendomsrechten werken markten slecht.
Markten sturen op prijs en winst. Zorg, natuur en rechtvaardigheid vragen bredere afwegingen.
Geen van beide lost alles alleen op. Politiek bepaalt de balans tussen vrijheid, efficiëntie en bescherming.