Ontdek waarom het soms superglad wordt: van wolken en temperaturen rond nul tot onderkoelde regen, ijzel en bevriezing. Je leert ook hoe je het herkent én wat je veilig kunt doen.
Dat de weg of stoep zo glad is dat je makkelijk uitglijdt of slipt.
In wolken: waterdruppels of ijskristallen groeien en vallen naar beneden.
Als het in de lucht van boven tot beneden koud genoeg is (onder 0°C).
Als de sneeuw door een warmere luchtlaag valt, smelt het en wordt het regen.
Warme lucht hogerop, koude lucht vlak bij de grond, en neerslag die naar beneden valt.
De druppels hebben nog geen “startpunt” om te bevriezen (bijna geen kristalletjes/korreltjes).
Regen die op de grond meteen bevriest en een laagje doorzichtig ijs maakt.
Dan bevriest het direct op koude spullen zoals wegen, stoepen, bomen en auto’s.
Omdat het nét kan vriezen aan de grond, terwijl er nog regen valt: perfect voor ijzel.
Je ziet het ijs vaak bijna niet, maar het is heel glad (“zwart ijs”).
Sneeuwgladheid, bevroren natte wegen, en rijp (ijs uit waterdamp op koude grond).
Wanneer natte wegen bevriezen doordat de temperatuur van het wegdek onder nul zakt.
Het regent bij kou, alles glanst, en takken/auto’s krijgen een dun laagje ijs.
Ze strooien zout dat ijs laat smelten en nieuwe ijsvorming moeilijker maakt.
Zout verlaagt het vriespunt van water, waardoor ijs sneller smelt en minder snel ontstaat.