In deze set kaarten leer je wat een bijvoeglijk naamwoord is en hoe je het herkent en gebruikt. Met simpele voorbeelden ontdek je hoe deze woorden zinnen duidelijker en leuker maken.
Een woord dat iets zegt over een zelfstandig naamwoord.
Hoe iets is, eruitziet, voelt of klinkt.
Bij een zelfstandig naamwoord, zoals huis, boom of fiets.
Ja: een grote, rode bal.
Meestal vรณรณr het zelfstandig naamwoord.
Ja, soms erachter: De fiets is snel.
Meestal als het voor een zelfstandig naamwoord staat: de mooie bloem.
Het zegt van welk materiaal iets gemaakt is.
De wollen trui of de zilveren lepel.
Nee, het eindigt meestal op -en, zoals houten of gouden.
Ja: groot โ groter โ grootst.
De trappen van vergelijking.
Ze maken zinnen duidelijker en interessanter.
De zin klopt nog, maar is minder precies.