Ontdek hoe steden in de late middeleeuwen groeiden door handel en ambachten. Leer wat stadsrechten waren, hoe burgers leefden en werkten, en hoe steden steeds meer macht kregen.
Ongeveer 1000 tot 1500 na Christus, aan het einde van de middeleeuwen.
Steden groeiden en werden belangrijker dan het platteland.
Door handel, ambachten en betere landbouw met meer voedsel.
Smalle straten, stadsmuren, een markt en een grote kerk.
Ze waren ambachtsman of handelaar, zoals bakker, smid of koopman.
Werk waarbij je iets met de hand maakt, zoals schoenen of kleren.
Groepen ambachtslieden met hetzelfde beroep die samen regels maakten.
Ze zorgden voor kwaliteit, opleiding en hulp voor leden.
Steden ruilden goederen die ze zelf niet hadden.
Speciale rechten waarmee een plaats officieel een stad werd.
Zelfbestuur, markten houden en stadsmuren bouwen.
Rijke burgers, zoals kooplieden, in het stadsbestuur.
Een gebied met duidelijke grenzen en één bestuur met dezelfde wetten.
Koningen en heren kregen concurrentie van rijke steden.
Steden groeiden door handel en kregen steeds meer vrijheid en invloed.