Lidwoorden, verkleinwoorden en veelvoorkomende meervouden.
Je gebruikt ‘de’ bij de-woorden, meervouden en personen.
Huisje.
Het meisje.
Appels.
Je gebruikt ‘het’ bij het-woorden en verkleinwoorden.
Het huis.
De straat.
Het kindje.
Een.
Boeken.
Steden.
Kinderen.