Je leert en onthoudt de belangrijkste woorden bij het onderwerp 'bewegen en sporten'.
[Wandelen]{.text-blue} is voor ontspanning of beweging in een rustig tempo lopen. *** Na het eten gaan we een halfuur [wandelen]{.text-blue}.
[Rennen]{.text-blue} is je snel te voet verplaatsen waarbij beide voeten soms van de grond zijn. *** Tijdens de training gaan we vijf rondjes [rennen]{.text-blue}.
[Sprinten]{.text-blue} is over een korte afstand zo snel mogelijk rennen. *** De laatste honderd meter ga ik [sprinten]{.text-blue}.
[Springen]{.text-blue} is jezelf met kracht van de grond afzetten. *** Bij de oefening moet ik over een lage hindernis [springen]{.text-blue}.
[Klimmen]{.text-blue} is jezelf met handen en voeten omhoog bewegen. *** Met een gordel gaan we langs de klimwand [klimmen]{.text-blue}.
[Bukken]{.text-blue} is je bovenlichaam naar voren en omlaag bewegen. *** Om de bal op te pakken moet ik [bukken]{.text-blue}.
[Strekken]{.text-blue} is een arm, been of ander lichaamsdeel helemaal lang maken. *** Na het zitten ga ik mijn benen [strekken]{.text-blue}.
[Gooien]{.text-blue} is een voorwerp met je hand door de lucht wegwerpen. *** Ik ga de bal naar mijn teamgenoot [gooien]{.text-blue}.
[Vangen]{.text-blue} is een bewegend voorwerp met je handen of lichaam tegenhouden en vasthouden. *** Met twee handen probeer ik de bal te [vangen]{.text-blue}.
[Schoppen]{.text-blue} is met je voet kracht tegen iets uitoefenen. *** Ik ga de voetbal richting het doel [schoppen]{.text-blue}.
[Slaan]{.text-blue} bij sport is een bal of ander voorwerp met je hand of een hulpmiddel raken. *** Met het racket ga ik de bal over het net [slaan]{.text-blue}.
[Fietsen]{.text-blue} is je op een fiets voortbewegen door de pedalen rond te draaien. *** In het weekend gaan we door de duinen [fietsen]{.text-blue}.
[Zwemmen]{.text-blue} is jezelf met arm- en beenbewegingen door water verplaatsen. *** In het zwembad ga ik twintig banen [zwemmen]{.text-blue}.
[Trainen]{.text-blue} is gericht oefenen om conditie, kracht, techniek of prestaties te verbeteren. *** Voor de wedstrijd gaan we drie keer per week [trainen]{.text-blue}.
[Een warming-up doen]{.text-blue} is je lichaam geleidelijk voorbereiden op inspanning. *** Voor het rennen gaan we [een warming-up doen]{.text-blue}.
[Rekken]{.text-blue} is spieren langzaam langer maken door een houding enige tijd vast te houden. *** Na de training ga ik mijn kuitspieren [rekken]{.text-blue}.
[Balanceren]{.text-blue} is je lichaam of een voorwerp in evenwicht houden. *** Op ÊÊn been probeer ik tien seconden te [balanceren]{.text-blue}.
[Een wedstrijd spelen]{.text-blue} is volgens regels tegen een ander of een ander team proberen te winnen. *** Zaterdag gaan we [een wedstrijd spelen]{.text-blue}.
[Aanmoedigen]{.text-blue} is iemand met woorden, geluiden of gebaren steun geven om door te gaan. *** Langs de lijn gaan de supporters hun team [aanmoedigen]{.text-blue}.
[Uitrusten]{.text-blue} is rust nemen zodat je lichaam en energie kunnen herstellen. *** Na de lange training ga ik even [uitrusten]{.text-blue}.
Wandelen is voor ontspanning of beweging in een rustig tempo lopen.
Na het eten gaan we een halfuur wandelen.
Rennen is je snel te voet verplaatsen waarbij beide voeten soms van de grond zijn.
Tijdens de training gaan we vijf rondjes rennen.
Sprinten is over een korte afstand zo snel mogelijk rennen.
De laatste honderd meter ga ik sprinten.
Springen is jezelf met kracht van de grond afzetten.
Bij de oefening moet ik over een lage hindernis springen.
Klimmen is jezelf met handen en voeten omhoog bewegen.
Met een gordel gaan we langs de klimwand klimmen.
Bukken is je bovenlichaam naar voren en omlaag bewegen.
Om de bal op te pakken moet ik bukken.
Strekken is een arm, been of ander lichaamsdeel helemaal lang maken.
Na het zitten ga ik mijn benen strekken.
Gooien is een voorwerp met je hand door de lucht wegwerpen.
Ik ga de bal naar mijn teamgenoot gooien.
Vangen is een bewegend voorwerp met je handen of lichaam tegenhouden en vasthouden.
Met twee handen probeer ik de bal te vangen.
Schoppen is met je voet kracht tegen iets uitoefenen.
Ik ga de voetbal richting het doel schoppen.
Slaan bij sport is een bal of ander voorwerp met je hand of een hulpmiddel raken.
Met het racket ga ik de bal over het net slaan.
Fietsen is je op een fiets voortbewegen door de pedalen rond te draaien.
In het weekend gaan we door de duinen fietsen.
Zwemmen is jezelf met arm- en beenbewegingen door water verplaatsen.
In het zwembad ga ik twintig banen zwemmen.
Trainen is gericht oefenen om conditie, kracht, techniek of prestaties te verbeteren.
Voor de wedstrijd gaan we drie keer per week trainen.
Een warming-up doen is je lichaam geleidelijk voorbereiden op inspanning.
Voor het rennen gaan we een warming-up doen.
Rekken is spieren langzaam langer maken door een houding enige tijd vast te houden.
Na de training ga ik mijn kuitspieren rekken.
Balanceren is je lichaam of een voorwerp in evenwicht houden.
Op ÊÊn been probeer ik tien seconden te balanceren.
Een wedstrijd spelen is volgens regels tegen een ander of een ander team proberen te winnen.
Zaterdag gaan we een wedstrijd spelen.
Aanmoedigen is iemand met woorden, geluiden of gebaren steun geven om door te gaan.
Langs de lijn gaan de supporters hun team aanmoedigen.
Uitrusten is rust nemen zodat je lichaam en energie kunnen herstellen.
Na de lange training ga ik even uitrusten.