Deze set behandelt alles wat je moet weten over het bijvoeglijk naamwoord in het Nederlands: functies, vormen, uitzonderingen en gebruik. Ideaal om te herhalen en te onthouden voor taaltoetsen of grammatica-oefeningen.
Een woord dat eigenschappen of kenmerken van een zelfstandig naamwoord aangeeft (bv. rode appel).
Attributief (voor het znw: een groene fiets) en predicatief (na een koppelwerkwoord: de fiets is groen).
Bij langere (β β₯ 3 lettergrepen) of βlijk-adjectieven: interessant β meer interessant, praktisch β het meest praktisch.
Een overtreffing zonder vergelijking: ijskoud, bloedmooi, peperduur.
Ja, behalve bij het-woorden enkelvoud + onbepaald lidwoord/geen lidwoord (een mooi huis, mooi weer).
Als het het-woord enkelvoud & onbepaald is (een klein kind, koud water).
Altijd -e: de leuke man, die leuke mannen, mooie huizen.
Nee: het huis is groot, de kinderen zijn vrolijk.
Positief (groot), comparatief (groter), superlatief (grootst(e)).
Meestal -er (+ spellingregels: dik β dikker, slim β slimmer).
-st + vaak het + -e: het grootst(e) gebouw.
goed β beter β best, veel β meer β meest, weinig β minder β minst, graag β liever β liefst.
Het zegt iets over een werkwoord: Hij loopt snel. Vorm blijft gelijk aan het bnw.
Lidwoord + -e: het mooie, de rijken, iets goeds.
Voltooid/onvoltooid deelwoord als bnw: gebroken glas, een lopende motor.
Koppel twee woorden: donkerblauw, sociaal-economisch.
Nee: een houten stoel (-en-uitgang), maar de ijzeren brug wel -en/-e afhankelijk van woord.
rood haar, oud goud β vaste combinaties.
Na iets, niets, wat, veel, weinig: iets moois, weinig interessants.
Maakt het bnw negatief/tegengesteld: bekend β onbekend.
heel, erg, tamelijk, vrij, te, nogal (intensiteitsadverbia).
Mening-grootte-leeftijd-vorm-kleur-oorsprong-materiaal-doel: een mooie grote ronde houten eettafel.
Bij leenconstructies/vaste uitdr.: president-elect, advocaat-generaal.
worden, blijven, lijken (ook schijnen, blijken, heten, voorkomen).
β¦ groter dan β¦, superlatief: de grootste van β¦.
Zo snel mogelijk = maximum binnen grenzen, altijd zonder -e na zo.
Standaard: onderwerpsvorm (groter dan ik); spreektaal accepteert dan mij.
Eerste = attributief (-e), tweede = predicatief (de motor staat lopend).
Hoofdletter β Belgisch bier; met naamwoordsvorm -e in verbogen vorm: Belgische kunstenaar.
Bij combinatie met een eigennaam/letter/symbool: Oost-Duits, 3-dimensionaal.